Ik wilde eigenlijk een andere vraag stellen.
En ging er van uit dat het immuunsysteem persoon gebonden kwantitatief gelimiteerd is.
Maar ik vind geen link of info hierover en moet dus eerst deze vraag stellen.
De vraag is dus of tijdens je leven het min of meer vast staat tegen hoeveel kiemen en stofje je immuun bent, mits fluctuaties?
1000, 10.000, 100.000, 1000.000 ?
Of werkt het als een soort golfbeweging waarbij het bij de verwekking zich opbouwd, en als senior zich afbouwd.
Maar dan kan het nog gelimiteerd zijn?
Goede en interessante vraag die raakt aan de fundamentele werking van het immuunsysteem.
Er bestaat niet een kwantitatief limiet aan het immuunsysteem in de zin van 'een mens kan maximaal tegen 10.000 ziekteverwekkers immuun zijn'.
Het immuunsysteem werkt namelijk combinatorisch. Het maakt gebruik van enorme variatie in antilichamen en T-celreceptoren, die ontstaan door willekeurige DNA-herschikking (V(D)J-recombinatie).
Bij de geboorte heeft elk mens een potentieel repertoire van >10^12 verschillende antigeenreceptoren (dus biljoenen varianten). Dit betekent dat je immuunsysteem in theorie bijna oneindig veel verschillende kiemen en stoffen kan herkennen, ook die je nog nooit bent tegengekomen.
Er is dus geen harde getalsmatige bovengrens zoals 'maximaal 100.000 kiemen' ofzo.
Er is wel een soort van beperking maar anders dan jij bedoelt: Er zijn fysieke limieten in het aantal lymfocyten dat je lichaam kan onderhouden. Niet alle mogelijke receptoren bestaan tegelijk, slechts een fractie is daadwerkelijk aanwezig. Soms 'verdringen' geheugenreacties nieuwe reacties (bijvoorbeeld bij griep: je immuunsysteem reageert sterker op bekende stammen dan op nieuwe varianten. Bij zeer hoge belasting of chronische infectie kan het immuunsysteem uitgeput raken (T-cell exhaustion).
Dus praktisch gezien is er beperking, maar die zit niet in een vast getal zoals 1000 of 1 miljoen pathogenen. Het is eerder afhankelijk van capaciteit, balans en levensfase.
Hier in verband mee bijvoorbeeld het Humaan papillomavirus (HPV).
Ik neem aan dat veel sexueel actieve jong volwassenen hier meer en intenser mee in contact komen dan veel senioren bijvoorbeeld.
Tweede aspect is dat er van het HPV een hele reeks varianten zijn waar er in de tijd steeds meer van bijkomen.
Kan het zijn dat deze jong volwassenen, wat u noemt combinatorisch een grotere capaciteit hebben om eerst de ene en dan weer de andere variant aan te pakken?
Het immuunsysteem van jongvolwassenen is in principe niet groter in capaciteit dan dat van ouderen, maar wel fitter en responsiever. Jongere mensen hebben doorgaans meer naïeve T- en B-cellen. Die zijn nodig om nieuwe, onbekende varianten (zoals verschillende HPV-types) te herkennen. Naarmate men ouder wordt, neemt het aantal naïeve lymfocyten af en verschuift de balans meer richting geheugencellen. Ook hebben ze sterker functionerende immuuncellen: de cellen reageren sneller en effectiever bij eerste blootstelling. En ze hebben een gotere Combinatorische diversiteit. Die is bij jongeren groter, simpelweg omdat ze nog minder 'immunologische ruimte' kwijt zijn aan geheugenreacties.
Bij HPV is het zo dat er tientallen varianten bestaan. Iemand kan achtereenvolgens besmet raken met meerdere typen, en het immuunsysteem kan die in principe telkens afzonderlijk aanpakken. Jongvolwassenen hebben dus geen absoluut 'grotere capaciteit' in de zin van een getalslimiet, maar ze hebben wel een bredere en flexibelere repertoirebasis om nieuwe varianten te herkennen.
Bij ouderen zie je vaker dat nieuwe infecties moeilijker bestreden worden, omdat de thymus (waar T-cellen rijpen) sterk is gekrompen, de voorraad naïeve lymfocyten kleiner is, en geheugenreacties soms nieuwe responsen onderdrukken (original antigenic sin).
Dus samrnvattend: jongvolwassenen hebben praktisch gezien een voordeel bij het herkennen van meerdere varianten achter elkaar. Niet omdat ze een groter totaal aantal pathogenen aankunnen, maar omdat hun immuunsysteem verser, diverser en minder uitgeput is.