Hier ben ik weer, tijdje geleden, maar net eerste toets verknald..kan ik dus niet weer hebben, jullie moeten me dus helpen...
Dit is de opdracht :
Voor het meten van de windsnelheid maakt het verschil of je vlak boven de grond of op hogere hoogte meet. er bestaat een verband tussen de hoogte en de windsnelheid.
Als je op 1 meter hoogte de windsnelheid 5 m/s is, dan kan je de windsnelheid op hoogthe h vinden met de formule : W= 5 x h (tot de macht ) 0.3
h = hoogte in meters
W = windsnelheid in m/s.
Nu heb ik 2 vragen :
Als de windsnelheid op 1 meter hoogte veranderd moet je de formule aanpassen. : W=W1 x h( tot de macht ) 0,3. W1 is hierbij de windsnelheid op 1 meter hoogte.
Op 1 meter hoogte weet je nog geen gegevens,van 5 meter hoogte wel. daar is de windsnelheid 4 m/s.
-> BEREKEN VOOR DEZE SITUATIE HOE GROOT DE WINDSNELHEID OP 20 METER HOOGTE IS.
de exponent 0,3 is afhankelijk van de ruwheid van het terreun en kan dus andere waarden hebben. deze exponent heet a. de kleinste waarde van a is 0.16 en de grootste 0.80.
-> NEEM W1=5. TEKEN OP DE GR DE GRAFIEK VAN W VOOR a =0.16 a=0.30 en a =0.80.
HOE BEREKEN IK DEZE 2 VRAGEN?
ik bedoel met mijn laatste vraag hoe ik het in de gr moet zetten.. het staat namelijk niet in mijn boek.
Groetjes amy laurens.
Puzzels