misschien dat ik er nog eens serieus tijd voor vrij maak als ik men pensioen ben ooit. op dit moment zijn er nog teveel andere dingen die ook leuk zijn en dichter bij het dagelijkse leven staan. dat is voor nij een van de belemmeringen dat het veel werk is en niet echt veel waarde heeft voor de dagelijkse praktijk.
Misschien nog 1 afsluitende vraag:
Het topic begon voor mij met nadenken over het equivalente principe. Daaruit zou dan het pad van het licht volgen als zijnde een vallende lichtstraal in een zwaartekrachtsveld. Nu blijkt dat in werkelijkheid het pad anders is en gecompliceerder. is het aandeel van het equivalentieprincipe dan toch nog een traceerbaar onderdeel van het geheel? of is de oorzaak 'kromming van de ruimtetijd door massa en energie' oorzakelijk gezien toch compleet wat anders dan het idee van het equivalentieprincipe?
Nu blijkt dat in werkelijkheid het pad anders is en gecompliceerder.
???
Nou "complexer" ...
Zeker niet in het Newtonian limit. Maar je moet zeger een basis hebben en niet op lucht proberen te bouwen.
Het spijt me, ik begrijp niet wat er zo onduidelijk is. Je probeert wel duidelijk. Dus ik hou er niet zo van maar .. zie wat youtube filmpjes van EigenChrist of Scienceclic. Of:
Dat misschien. M.n die over het EP (equivalentieprincipe). Ook al zitten helaas ook, nou, absurdistische filmpjes bij. Maar ik kan ...
Het equivalentieprincipe is universeel. Inclusief die factor 2. Behalve bij singulariteiten of andere extreme gevallen.. vanwege die niet-lineariteit van de theorie.
beide filmpjes had ik al eerder gezien. 2e filmpje is wel mooie kapstok om mijn punt mee aan te geven. immers als het de grond is die omhoog versnelt dan gaat een lichtstraal rechtdoor tov de niet versnelde grond. dus als het zwaartekrachtsveld echt homogeen was geweest (tgv een oneindig grote massa die oneindig ver weg staat) dan zou het licht het pad moeten volgen zoals je met Newton uit kunt rekenen. dus zonder die factor 2. vraag 1 is dus of mijn redenatie tot dat punt klopt. daarna moet je dus kijken naar de echte situatie met tidle forces. dat zou dan die factor 2 moeten geven, maar in het filmje blijkt dat die tidle forces een paar ordegroottes kleiner zijn dan de g kracht tgv de hoofdcomponent. Dus hoe kun je dan een factor 2 krijgen met de zelfde ordegrootte als de hoofdcomponent. Dat is dus kortgezegt het probleem met het equivalentieprincipe waar ik na jaren nog steeds geen goed antwoord op heb.
Enige verklaring die ik logisch vind is dat het equivalentieprincipe voor een deel van het effect zorgt en het andere deel komt vanwege de kromming van het ruimtedeel van de ruimtetijd. maar dat zou dan niets te maken hebben met het equivalentieprincipe, maar toevallig wel precies even groot zijn. maar die discussie zijn we volgens mij qua fundamentele uitleg nooit uitgekomen in dit topic anders dan alleen maar te verwijzen naar de ART formules waar het dan wiskundig uitrolt maar weinig inzichtelijk begrip oplevert.
Vergeet het equivalentieprincipe even en ik raad ten zeerste aan je eigen kennis te evalueren!
"Om deze vraag te beantwoorden, is het eerst belangrijk om te begrijpen hoe de algemene relativiteitstheorie en de Newtoniaanse gravitatietheorie zich tot elkaar verhouden.
Zoals je wellicht weet, heeft een gravitatieveld in de algemene relativiteitstheorie twee effecten: tijdsdilatatie en lengtecontractie.
Als het echter om trajecten gaat, hebben deze twee effecten niet dezelfde impact. Voor langzaam bewegende deeltjes is alleen tijdsdilatatie van belang. De Newtoniaanse gravitatietheorie is volledig te danken aan het tijdsdilatatiedeel van de metrische gravitatietheorie in de algemene relativiteitstheorie. (Dit is misschien verrassend gezien de talloze "artistieke weergaven" van "gravitatieputten", die visueel suggereren dat gravitatie voornamelijk te wijten is aan vervormingen van de ruimte. Dat is niet het geval. De Newtoniaanse gravitatietheorie is volledig te wijten aan de verschillen in de snelheden van klokken, niet aan de verschillen die worden gemeten door meters op verschillende locaties in een gravitatieveld.)
Wanneer een deeltje echter met relativistische snelheden beweegt, begint lengtecontractie ook een belangrijke rol te spelen. Voor deeltjes met of bijna de vacuümsnelheid van het licht zal de impact ervan qua omvang gelijk zijn aan het effect van tijdsdilatatie.
En dat is dan je antwoord. Snelle deeltjes, zoals fotonen, worden twee keer zo sterk "afgebogen" als voorspeld door de Newtoniaanse zwaartekracht, omdat hun trajecten naast tijdsdilatatie (die de Newtoniaanse zwaartekracht bepaalt) ook veranderen door lengtecontractie".
Viktor Toth.
Als je nu bedenkt dat iedere ruimtetijd lokaal Minkowski is (dit is een wat goedkope analogie, maar niet geheel onjuist en passend bij bovenstaande) stel je simpelweg een lichtkegel in een Minkowski diagram op papier voor en rol het papiertje op. Het zal evenveel in de temporale as als de ruimtelijke as afbuigen. Waarbij de temporale afbuiging dus gelijk is als bij klassieke/Newtoniaanse mechanica.
Zie ten slot nog het einde hiervan:
Maar nogmaals, niet lullig bedoeld, maar herzie je eigen kennis vooral.
PS.
Uit je bovenstaande reactie begrijp ik dat je mijn eerste bericht hier niet eens gelezen hebt??
Laatst gewijzigd door Gast op wo 21 mei 2025, 00:33, 1 keer totaal gewijzigd.