In het padintegraalformalisme van de kwantummechanica of kwantumveldentheorie, wordt het gedrag van een systeem beschreven als een som (integraal) over alle mogelijke paden tussen een begin- en eindtoestand. Elk pad draagt bij met een fase \(e^{iS/\hbar}\), waarbij \(S\) de actie is van het pad.
Wanneer er meerdere minima zijn, dan zijn er ook meerdere klassiek toegestane paden waarvoor de actie \(S\) stationair is (d.w.z., paden die voldoen aan de klassieke bewegingsvergelijkingen).
In het padintegraalformalisme worden alle mogelijke paden (en dus alle minima) meegeteld. Het systeem "probeert" in zekere zin alle mogelijke minima uit, en de werkelijke kansamplitude is het gevolg van interferentie tussen alle bijdragen. De bijdrage van elk minimum wordt gewogen met \(e^{iS/\hbar}\). Minima met een lagere actie (of lagere energie in het padintegraalformalisme) zullen een dominante bijdrage leveren.
Hoe je in het voorbeeld van PP kan beredeneren dat het rode pad dominant is (is er trouwens ergens een referentie dat dat zo is?), dat weet ik niet.
Is wel een interessante vraag.
Puzzels