Ten tweede, en dit is veel belangrijker dan het eerste punt, omdat je vanaf nu het gaat hebben over je alternatief.
Oke, mijnheer de moderator...hier komt het 'alternatief', en wat die bondigheid betreft, ik zal mijn best doen...
Laten we dan nu maar op zoek gaan naar onze geboortegrond...
Het was op de Galápagos-eilanden waar Darwin, op basis van zijn waarnemingen, dat hij de voorwaarden, waaraan een plek met een snelle evolutie moet voldoen, formuleerde. Darwins conclusies zijn nooit serieus ter discussie gesteld, en aangezien onze soort alle bekende snelheidsrecords heeft gebroken bij zijn snelle evolutie, hierbij een overzicht van die algemene voorwaarden:
-Het moet vrij klein zijn. Veranderingen in een soort treden op volgens de natuurlijke erfelijkheidswetten vanaf de eerste toevalstreffers. Hoe groter de populatie is, of hoe meer verspreid, des te langer duurt het.
-Isolatie. Het moet moeilijk zijn om erbij te komen of weer weg te gaan. Maar behalve dat het mogelijk is erbij te komen, moet het gedwongen zijn, want het is een natuurwet dat geen enkele diersoort vrijwillig een omgeving, waar hij aan gewend is verwisselt voor een willekeurige andere omgeving.
-De nieuwe omgeving moet enigszins anders zijn dan de oude. Want veranderingen in het milieu geven het sein voor evolutie.
-Er moeten enige bruikbare en lege niches aanwezig zijn.
-De strijd om het bestaan moet primair gaan tussen individuen van de evoluerende soort onderling en niet met roofdieren of natuurkrachten. Want de twee laatstgenoemde factoren hebben de neiging om de populatieomvang te drukken of te beperken.
-De soort moet het milieu overbevolken. Degene met een bepaald voordeel zal het overleven. Maar degene zonder dat voordeel zal niet verdwijnen, tenzij het milieu overbevolkt is. Voor de evolutie komt het goed uit, dat elke soort zonder efficiënte roofdieren zich snel zal vermenigvuldigen om een milieu, hoe groot dat ook is, te overbevolken.
Hierbij kunnen wij een aantal specifieke voorwaarden toevoegen voor de hypothetische plek, waar onze soort ontstaan is. De eerste is, dat deze plek in of bij Afrika zou moeten zijn. Waarom? Omdat onze aapachtige voorouder daar leefde en hoewel sommige diersoorten zich ver kunnen verspreiden, doen apen dat niet. Zij trekken niet verder dan nodig is.
Je kunt aannemen dat de verschillen in milieu, die onze aapachtige voorouders aantroffen, verschillen zouden zijn die de neiging hebben om onze voorouders van apen in mensen te veranderen. Wij zijn in staat om af te leiden welke die milieuverschillen waren. Bij voorbeeld, Proconsul was aangepast aan een bestaan in de bossen. Maar mensen leven niet meer in bomen. Dus moeten wij aannemen dat onze voorouders gedurende lange tijd in een gebied leefden waar geen bomen waren, of in ieder geval niet genoeg bomen om een voortdurende afhankelijkheid van bomen mogelijk te maken.
Een opvallend verschil tussen mensen en chimpansees is het feit dat mensen erg weinig lichaamsbeharing hebben en dat chimpansees erg veel haar hebben. Ik gaf eerder al aan dat een soort niet alleen vanwege een verandering in zijn milieu een bepaald kenmerk verliest, wanneer dat daardoor nutteloos is geworden. De milieuverandering moet dat kenmerk tot een handicap maken, voordat evolutie deze zal verwijderen. Het is niet moeilijk een reden of een omstandigheid van het milieu te bedenken, waarbij lichaamsbeharing een handicap vormt. Er is slechts één eenvoudige verklaring voor: onze voorouders hebben lange tijd doorgebracht in een erg heet gebied. Een gebied dat zelfs nog heter moest zijn dan Afrika, waar onze neefjes, de chimpansees, het nooit een voordeel vonden om hun bontjasjes uit te doen.
Het is altijd mooi wanneer een deductie gesteund wordt door onafhankelijk bewijsmateriaal, dat in dezelfde richting wijst. Kijk maar naar iemand die het heet heeft. Het zweet druipt er aan alle kanten van af.
Maar niemand zal ooit het zweet van een chimpansee zien afdruipen of van een andere apesoort. Zij hebben er eenvoudigweg het vermogen niet toe. Vergeleken met onze soort hebben alle apen vreselijk weinig zweetkliertjes. Kenmerken zoals zweetklieren ontstaan niet toevallig. Alleen nuttige kenmerken ontstaan door evolutie.
Het is bijna vanzelfsprekend dat de hitte die onze voorouders meemaakten, een droge hitte was. Wanneer zowel de temperatuur als de vochtigheidsgraad hoog zijn, heeft het geen zin om te transpireren, en mensen kunnen evenmin vochtige hitte verdragen als welke diersoort ook. Dus kunnen we aannemen dat onze geboortegrond zowel heet als droog was. Dit verklaart automatisch ook waarom er weinig bomen voorkwamen, omdat de meeste boomsoorten een heleboel water nodig hebben. Bovendien staan bomen vocht af en dat verhoogt de vochtigheidsgraad.
Wanneer iemand transpireert, verliest hij zout en is het noodzakelijk om weer zout toe te voegen. Dit is erg belangrijk wanneer mensen veel zweten. Dus wij moeten aannemen dat in het droge, hete gebied waar onze voorouders zich ontwikkelden, een behoorlijke hoeveelheid zout aanwezig was.
Nu hebben we inmiddels een vrij aardig beeld gekregen van het gebied waar onze voorouders zich ontwikkelden. De voorwaarde van hitte en droogte wijst in de richting van een woestijn. Afrika heeft vele woestijnen. Maar in deze woestijnen wordt het 's nachts koud. Bovendien missen woestijnen de noodzakelijke isolatie. De Afar-driehoek in het noordwesten van Ethiopie lijkt er aardig op, maar mist eveneens de noodzakelijke isolatie. Eigenlijk is er in Afrika geen gebied dat in aanmerking komt als onze geboortegrond.
Wanneer wij Afrika verlaten komen we bij het gebied rond de Dode Zee. Dit gebied voldoet aan de meeste voorwaarden. De Dode Zee is een groot zoutmeer, dus er is voldoende zout aanwezig. De grote hoeveelheid water geeft de zekerheid van een vrij constante temperatuur. De waterspiegel van de Dode Zee ligt ongeveer vierhonderd meter beneden het niveau van de Middellandse Zee, dus die constante temperatuur ligt vrij hoog. In de zomer kan de temperatuur oplopen tot 60ºC en in de winter registreert de thermometer zelden temperaturen beneden 27ºC. Daar hebben dieren geen bontjas nodig.
Toch is de lucht er ondanks de hoge temperaturen zo droog, dat de hitte wel te verdragen is. Maar dit gebied mist echter de isolatie die noodzakelijk is om onze geboortegrond te kunnen zijn. De geologische geschiedenis van dit gebied bewijst dat dit gebrek aan isolatie er altijd al is geweest - tenminste in de tijd waarin wij belangstelling hebben. Wij zouden onze speurtocht naar een gebied dat aan alle voorwaarden voor ons geboorteland voldoet over de hele wereld kunnen voortzetten, maar dat zou tevergeefs zijn. Er bestaat op aarde absoluut geen gebied, dat aan al deze voorwaarden voldoet!
Maar wij hebben de wereld alleen in de huidige tijd onderzocht. Weliswaar is er nu nergens op aarde een gebied dat aan de voorwaarden voor onze geboortegrond voldoet, maar er bestaat nu ook geen landbrug tussen Amerika en Azië. Onze oude wereld heeft van tijd tot tijd aanzienlijke gedaanteverwisselingen ondergaan. De aardkorst bestaat uit zogenaamde 'tectonische schollen', die als drijfhout op het gesmolten inwendige van de aarde drijven. Al deze bewegingen van de aarde hebben een belangrijke rol gespeeld in de evolutie van dieren.
In 1970 voer een Amerikaans onderzoeksschip, de Glomar Challenger, de Middelandse Zee binnen voor een korte en routinematige tocht. De Middelandse Zee is een met water gevulde scheur tussen de schol van Afrika en de Europees-Aziatische schol.
Zoals men kan verwachten van een scheur in de aardkorst is de Middelandse Zee ook behoorlijk diep. De randen lopen steil naar beneden en de bodem is op sommige plaatsen 5 km diep. De enige natuurlijke verbinding met de oceanen loopt via de Straat van Gibraltar. De straat van Gibraltar is slechts 12 km breed en nauwelijks 350 m diep.
Er verdampt meer water uit de Middelandse Zee dan er door regen en alle rivieren samen aangevoerd wordt. Als gevolg daarvan is er een constante netto instroming van zo'n slordige tien kubieke kilometer water per dag uit de Atlantische Oceaan door de Straat van Gibraltar.
De bemanning van de Challenger merkten dat het door de dubbele echo van hun sonarapparatuur leek alsof de Middelandse Zee een dubbele bodem bevatte. Door boringen ontdekten ze dat de tweede bodemlaag uit een enorm dikke laag zout bestaat - maximaal anderhalve kilometer dik - en onder drie kilometer water.
Ze concludeerden dat in een vrij recent verleden de Straat van Gibraltar door een relatief geringe beweging van de aarde gesloten is geweest. Toen werd er, net als nu, meer water verloren door verdamping dan er door alle rivieren tezamen werd aangevoerd - dus droogde de Middelandse Zee op.
Later brak de dam in de Straat van Gibraltar weer door en vulde de Atlantische Oceaan het bekken van de Middelandse Zee weer op. In de tussentijd was er zoveel zand en stof het bekken ingewaaid, dat het zout te diep begraven werd en het water er niet bij kon om het te doen oplossen toen de zee weer volliep.
De oceanografen van de Challenger dateerden het zeebezinksel van de bovenlaag en stelden vast dat de Middelandse Zee ongeveer vijfeneenhalf miljoen jaar geleden opnieuw volliep. Even ten oosten van de Straat van Gibraltar vertoonden de boormonsters van de Challenger sporen van hevige erosie van de zeebodem omstreeks die tijd.
Het dateren van het afsluiten van de Middelandse Zee stuit op problemen, toch zijn er aanwijzingen dat dit ongeveer twintig miljoen jaar geleden gebeurde.
Het is niet nodig te raden welke gebeurtenissen er plaatsvonden, toen de Middelandse Zee opdroogde. Deze gebeurtenissen verliepen volgens natuurwetten, zodat we die gebeurtenissen kunnen verslaan alsof we ooggetuigen geweest zijn.
De zeespiegel daalde, wat een inkrimping van het oppervlak veroorzaakte. De verdampingssnelheid vertraagde, met als gevolg dat er minder regen op het omringende land viel. Er ontstond een droogte, waar trouwens geologische bewijzen voor zijn.
Het water van de Middelandse Zee splitste zich en vormde zoutmeren, die in de diepste gedeelten van de zeebodem lagen. Deze werden in stand gehouden door rivieren die er nog stroomden.
Uitgezonderd de zoutmeren was de hele bodem van het hele bekken bedekt met een enorme laag zout. Daar kon niets leven. Dit bleef echter niet lang in stand, omdat door de droogte op het vasteland de grond kon verstuiven en de zoutlagen bedekte. Zelfs heden ten dage hebben gebieden, die zo ver wegliggen als Engeland, nog last van zand, dat uit Noord-Afrika wordt opgewaaid. De zoutwoestijnen verdwenen dus, maar werden vervangen door gewone woestijnen, hoewel deze woestijnen heter en droger waren dan enige woestijn waarmee wij ze tegenwoordig kunnen vergelijken.
Hoewel dit alles een nogal kaal beeld geeft van de opgedroogde Middelandse Zee, waren er wel verzachtende omstandigheden. De warme lucht op de bodem van het bekken kon opgewaaid worden en vermengd met koele lucht van heersende winden. Dan was er ook de regen die in het bekken viel.
Toen de zeespiegel ongeveer honderd meter beneden het huidige niveau kwam te liggen, werden wind en wolken omhooggestuwd. De wolken koelden af en veranderden in regen (dit zelfde systeem van regenvorming zie je bij de bergketen aan de westkust van Australie).
Toen dit gecondenseerde water plus het water van de rivieren overeenkwam met de hoeveelheid water die bij verdamping definitief verloren ging, hield het inkrimpen van de zoutmeren op. Let wel, hoe dieper de zoutmeren lagen, hoe beter dit systeem werkte.
Waar regenwater is, is leven. Er ontstonden uitgestrekte weiden op de glooiende randen van het bekken. Kale grasvlakten misschien, maar toch herbergzamer dan de woestijnen die daarvoor waren.
Er ontwikkelde zich geen fauna op deze weiden. De dieren werden tegengehouden door de afschuwelijke woestijnen, die vlak over de rand van de zeekust begonnen.
De vochtige gebieden in het bekken kunnen vergeleken worden met miniatuurtuintjes, de zogenaamde terrariums, die wij in glazen flessen kunnen kweken. Het voortdurende hergebruik van het water in de glazen flessen stelt ons in staat maandenlang geen water aan de planten te hoeven geven, zelfs jarenlang. Ditzelfde hergebruik in het bekken van de Middellandse Zee zorgde ervoor, dat zelfs kleine rivieren vrij grote gebieden bewoonbaar konden houden. Laten we deze gebieden dus voor het gemak terrarium noemen.
Elke rivier die uitmondde in het bekken had een eigen terrarium. Er was een Nijl-terrarium, een Po-terrarium, een Rhône-terrarium en enkele andere. Vervolgens moeten we kijken hoe deze terrariums bevolkt werden.
Laten we ons concentreren op de mondingen van rivieren, bijvoorbeeld de Nijl. Toen de zeespiegel bleef dalen, vormde de brede, ondiepe rivier een waterval. Watervallen zoals bijvoorbeeld de Victoria-watervallen, verstuiven een heleboel water. Stuifwater van deze waterval heeft echter een gigantisch regenwoud doen ontstaan en in stand gehouden.
Een dergelijk regenwoud ontstond ook bij de monding van de rivier de Nijl.
Toen de Middelandse Zee bleef slinken, groeide het regenwoud mee naar beneden totdat de onderrand ervan ongeveer tweehonderd kilometer van het vasteland verwijderd was en ongeveer drie kilometer lager lag.
Terwijl het regenwoud zich vormde, begonnen flora en fauna op het vasteland de druk te voelen van de toenemende droogte. Dieren die van bomen afhankelijk zijn, verhuisden wanneer ze dit konden, mee naar dit nieuwe regenwoud. Degenen die dit niet konden, stierven samen met hun bomen. Een tak van Proconsul was in staat om het nieuwgevormde regenwoud in te trekken.
Inheemse roofdieren trokken het nieuwe regenwoud ook in, en dat geldt ook voor de aangrenzende graslanden. Roofdieren hebben echter een vrij grote bewegingsvrijheid en de stijgende temperaturen, die zij ontmoetten, weerhielden hen ervan al te ver naar beneden te gaan. De boombewoners hadden echter geen enkele keus.
Vervolg zsm.
Wat niet kan bestaat niet.