Als dat níet bedoeld is als 'semantisch geneuzel', dan lijkt het me duidelijk dat Anselmus bedoelde 'buiten de geest bestaan' - als we ons iets voorstellen, heeft het nog niet automatisch realiteit buiten ons. (Bij de vraag of God bestaat, gaat het er dus om of Hij buiten ons denken bestaat.) Vervolgens beweert hij dus dat iets wat búiten de geest bestaat 'volmaakter' is dan iets wat alleen in de geest bestaat (i.e. alleen gedacht wordt).
Volgens mij is het bewijs niet afhankelijk van een verkéérde notie van wat 'bestaan' is. Het suggereert wel dat er een contra-intuïtieve relatie is tussen het denken en de werkelijkheid, maar de daadwerkelijke fout lijkt mij vooral te zitten in de veronderstelling dat er uit de definitie van een object duidelijk wordt óf het bestaat, niet in de vraag wat bestaan ís. (Dat laatste bezwaar lijkt me meer van toepassing op Descartes' cogito ergo sum, hoewel het probleem daar misschien ook weer eerder is wie of wat de eerste persoon enkelvoud is dan wat bestaan is.)
Verder deel ik de andere vraag die Rogier zich stelt als hij hoort "God bestaat", namelijk: "wat/wie bestaat?" Anselmus definieert God echter wel op zo'n manier dat er duidelijk over te discussiëren valt. Alsnog op zo'n manier dat het bewijs volgens mij niet geldig is, maar van echte 'vaagheid' is hij niet te beschuldigen. Natuurlijk kan er van elk woord worden beweerd dat de betekenis niet duidelijk is of ontbreekt, maar daar ben ik niet postmodern genoeg voor.
Puzzels