In een
vorig bericht heb ik op de foto's de glasrichel op de hoek van de voorgevel aangeduid als C, en andere richels in de voorgevel als D t/m F. Nu blijkt dat richel D (evenals E en F) ook een regenboogstreep op de grond werpt, minder opvallend dan die van C. De streep van D heeft een andere richting dan die van C. Klopt die richting met de wet van Snellius? Is daarmee misschien een betere schatting mogelijk van de afschuinhoek φ, waarvoor ik eerder gemakshalve de waarde van 45° heb aangenomen? Niet dat dat belangrijk is, maar uit nieuwsgierigheid.
Bij zulke glasrichels gaat het om breking van lichtstralen bij twee grensvlakken, wat neerkomt op breking door een prisma met tophoek φ. Voor dat prisma geldt
\(r_2 = \arcsin(n \sin(\varphi-\arcsin(\frac{1}{n}\sin i_1)))\). (
wiki)
Bij richel C geldt bovendien
\(i_1=\varphi-\alpha \) en
\(\beta=r_2\); en bij richel D geldt
\(i_1=90°-\alpha \) en
\(\beta=90°+r_2-\varphi \).
Hiermee kan de β,α-grafiek berekend worden bij richel C en D voor verschillende waarden van φ.
In de onderstaande β,α-grafieken geven de blokjes mijn nieuwe metingen in Alkmaar weer, en de kromme lijnen geven de theoretische β voor φ=45° en φ=60° weer. De brekingsindex is 1,52. Conclusie: tophoek φ=60° past beter bij de metingen dan φ=45°.