De literatuurwaarden voor de viscositeit (bij 20 graden) zijn:
water = 1 cp
1,2-ethaandiol = 20 cp
glycerol = 1490 cp
Hierbij zie je ook dat glycerol een veel grotere viscositeit heeft dan water en ethaandiol. Deze trend zie je ook duidelijk terug in jullie metingen, al klopt het kwantitatief niet helemaal.
Zoals beryllium al schreef moet je in jullie experiment inderdaad corrigeren voor de dichtheid. Een zwaardere vloeistof geeft een hogere druk op de spuitopening waardoor deze een lagere viscositeit lijkt te hebben. Maar ook dit leidt niet tot waardes die dicht bij de literatuurwaardes liggen.
Het probleem in jullie experiment moet je zoeken in de opstelling. De invloed van de viscositeit op de snelheid waarmee de spuit leegstroomt komt tot uiting in het smalle tuitje van de spuit die je gebruikt. Hoe dikker en korter het tuitje, des te kleiner de invloed van de viscositeit op de stroomsnelheid. Wanneer je de doorsnede van het tuitje maar groot genoeg maakt zul je voor alledrie de vloeistoffen een stroomsnelheid vinden die meer afhangt van de dichtheid dan van de viscositeit.
Om een betere meting te krijgen zul je een dun slangetje of een lange naald aan het tuitje van de spuit moeten maken. De snelheid van het leegstromen zal dan voor het grootste deel afhangen van de viscositeit (de invloed van de dichtheid op je meting wordt verwaarloosbaar klein).
Let wel op dat je de naald of het slangetje niet té dun maakt omdat je anders erg lang moet wachten tot de spuit met glycerol is leeggestroomd (in theorie 1490 x zo lang als water).
Je zou de veel hogere viscositeit van glycerol kunnen verklaren aan de hand van het aantal mogelijkheden om waterstofbruggen te vormen:
Water: 2 waterstofbrugdonoren (H-atomen aan een O), 2 waterstofbrugacceptoren (vrije electronenparen op O)
Ethaandiol: 2 waterstofbrugdonoren, 4 waterstofbrugacceptoren
Glycerol: 3 waterstofbrugdonoren, 6 waterstofbrugacceptoren.
Viscositeit kun je simpel gesteld zien als 'het gemak waarmee de Moleculen langs elkaar stromen'. Waterstofbrugvorming maakt dit moelijker. Hoe meer mogelijkheden tot waterstofbrugvorming, des te hoger de viscositeit. De Moleculen blijven veel gemakkelijker aan elkaar 'plakken'.
Hiernaast is de viscositeit ook afhankelijk van het molgewicht, maar dat is bij de vergelijking van jullie vloeistoffen niet van doorslaggevend belang.
Ik hoop dat dit het wat duidelijker maakt
