M.a.w. de ruimte (met de 3 beweegrichtingen plus tijd) vormen samen slechts 1 dimensie.
Neem nu mijn bureau. Het is 75 cm hoog, 80 cm breed en 120 cm lang. De kleur is bruin en het is van metaal. Ik heb nu 5 aspecten gebruikt die u in staat stellen een aardig beeld van mijn werkplek te vormen. Uit het feit dat het bureau 75 cm hoog is kunt u met geen mogelijkheid afleiden dat het 120 cm lang is. En uit het feit dat het 120 cm lang is kunt niet afleiden dat het van metaal is en ook niet dat de kleur bruin is. Die aspecten zijn onafhankelijk van elkaar en dat is nodig omdat anders een nieuw aspect niets nieuws zou toevoegen aan de beschrijving. Met een beetje goede wil kunnen we hier de gebruikte aspecten als dimensies opvatten.
Ik had ook kunnen zeggen: het bureau is 75 cm hoog, het blad heeft een oppervlak van
\(0,96 m^2\)
, het is van metaal en het is bruin. U hebt echter minder informatie gehad dan hierboven want u weet niet of het 2 m lang is en slechts 48 cm breed of nog anders. Oppervlakte voldoet dus niet aan de eis om als dimensie te kunnen dienen. Een dimensie mag je niet kunnen ontleden in andere onderling onafhankelijke elementaire aspecten.
Ik had tenslotte ook kunnen zeggen: het bureau heeft afmetingen, is bruin en van metaal. Deze drie aspecten zijn onderling onafhankelijk, twee ervan hebben in dit voorbeeld de status van dimensie en het aspect afmetingen voldoet niet aan de eisen die je aan een dimensie moet stellen. En het is duidelijk als u bekijkt welke informatie u in dit geval van me hebt ontvangen: te weinig om er wat aan te hebben.
De ruimte een-dimensionaal noemen geeft aan de beschrijving de status van een nietszeggende vaststelling dat de ruimte afmetingen heeft. Non-informatie.
Klintersaas, ik kon het niet laten.