Is er verband tussen islam en onmondigheid?
Europa is de bakermat van het Verlichtingsdenken, dat de grondslag vormt van de Universele rechten van de Mens. In deze Rechten staan centraal de gelijkheid van man en vrouw, de gelijkheid van iedere burger voor het recht, het kiesstelsel en wetten die bepaald worden door de burgers voor wie deze wetten gelden.
Het ideaal van de mondigheid dat wil zeggen het zelfstandig tot oordelen komen, het zelfstandig gebruiken van de rede was de motor waarmee meerdere revoluties een definitief einde maakte aan de standenmaatschappij en daarmee een einde aan de macht van koning, adel en clerus.
In de islam bestaat geen ideaal van de mondigheid, maar geldt de autoriteit van de profeet geldt als model voor al het denken en handelen. De rechtsspraak is geheel ontleend aan koran en hadith. Dit zijn goddelijke wetten, die ver verheven zijn boven de wetten van mensen zoals in het westen gelden. Volgens Gazali zijn drie bronnen toegestaan als rechtsbron: de koran, de handelingen en uitspraken van de profeet (de hadith) en de consensus van de moslim gemeenschap. Het doel van Gazali was het uitsluiten van het menselijk verstand omdat hij dat als te beperkt beschouwde om god te begrijpen. De opvattingen van Gazali waren de doodsteek voor de filosofie in de oostelijke islamitische wereld. Nog sterker dan voorheen beperkten moslims zich tot het bestuderen van koran, hadith en de vier rechtsscholen. Als die bronnen geen uitspraak opleverde in een meningsverschil of een rechtszaak, was het afleiden op basis van analogie (qasiya) toegestaan, en als ook dat niet geen uitsluitsel gaf, was in sommige rechtsscholen het eigen oordeel als laatste mogelijkheid toegestaan.
Inmiddels is er een theorie ontwikkeld die verklaart waarom mensen onder bepaalde omstandigheden geneigd zijn om het oordeel van anderen te volgen en niet het eigen oordeel. Dit is de theorie van de cognitieve dissonantie, beschreven door Festinger (1956). Volgens deze theorie is ons handelen gebaseerd op een enorme hoeveelheid cognities: kennis, meningen, opvattingen, herinneringen, aannames, algemene indrukken, enzovoort. Tussen deze cognities onderling bestaan grote verschillen in betekenis en waardering voor een individu. Deze verschillen hebben grote invloed op de manier waarop het individu handelt.
Elk individu wordt elke dag overstroomd met tegengestelde cognities over de werkelijkheid zoals die zich aandient en de werkelijkheid zoals hij die beleeft. Het verschil tussen die twee werkelijkheden levert cognitieve dissonantie op.
Deze kan op drie manieren opgelost worden. Laten we het voorbeeld nemen van iemand die een nieuwe auto zou willen kopen, maar merkt dat hij daarvoor niet voldoende geld heeft. Ten eerste, er kan actie ondernomen worden om de werkelijkheid bij te stellen ("ik ga een nieuwe auto kopen, desnoods met geleend geld"). Ten tweede, de persoon kan actie ondernemen om zijn beeld van de werkelijkheid bij te stellen ("eigenlijk zou ik liever een nieuwe auto kopen, maar voor nu voldoet een gebruikte auto ook heel goed"). Ten derde, het belang van de cognitie wordt veranderd ("een nieuwe auto is voor mij niet belangrijk en wat de buren doen moeten ze zelf weten").
Verschillen in cognitieve dissonantie zijn belangrijk omdat een individu altijd zal kiezen voor een handeling die voor hem het meeste nut oplevert en dus de minste cognitieve dissonantie.
Het mentaal afwegen van verschillende keuzes en de cognitieve dissonantie die ze kunnen opleveren, is een vorm van vooruitlopen op mogelijke contacten met andere leden van de groep waarin men leeft.
Als een persoon succesvol wil omgaan met cognitieve dissonantie, dan moet hij in staat zijn om te gaan met de enorme hoeveelheid vaak tegenstrijdige informatie die eigen is aan de open samenleving van Europa. Dit mentale proces gebeurt grotendeels op grond van het culturele referentiekader dat een persoon zich eigen gemaakt heeft door opvoeding en onderwijs. Een persoon die (deels) is opgegroeid met een niet-Europees cultureel referentiekader, zal in Europa meer cognitieve dissonantie ondervinden dan personen die wel opgegroeid zijn in een Europees referentiekader.
Het mentaal verwerken van cognitieve dissonantie is een proces waarmee het individu het toekomstige nut van zijn handelingen probeert in te zien. Een inwoner van Koeweit die liever ziet dat zijn zoon lesuren besteedt aan natuurkunde dan aan koranstudie, maakt een individuele afweging. De cognitieve dissonantie verbonden aan de toekomst van zijn zoon vindt hij belangrijker dan de cognitieve dissonantie verbonden aan de afkeuring van de omgeving. Het resultaat was dat de vader tot gevangenisstraf veroordeeld werd en vervolgens besloot te emigreren. (het geval al-Baghdadi in Koeweit)
Een ander voorbeeld is de vrijheid van godsdienst. De islam kent wel godsdienstvrijheid, maar wie eenmaal toegetreden is tot de islam, mag deze niet meer verlaten. Moslims zijn onderling verplicht toe te zien dat er geen schapen van de kudde afdwalen.
Het zal duidelijk dat een moslim die innerlijk weinig belangstelling voor de islam heeft en wel zijn eigen oordeel volgt bijvoorbeeld Rushdie, Ellian of Jami een grote cognitieve dissonantie zal ondervinden. Hij moet afwegen wat erger is: leven met een innerlijke onvrede of de mening van andere moslims trotseren.
Dit maakt ook duidelijk waarom cognitieve dissonantie zo belangrijk is. Alle kennis is een sterk vereenvoudigde weergave van de werkelijkheid en ontoereikend in de zin dat ze voortdurend bijstelling nodig heeft. De cognitieve dissonantie die we ervaren is aanleiding tot leerprocessen. Leerprocessen berusten grotendeels op imitatie van al bekende processen. Er is een groot verschil tussen onderwijs dat imitatie aanmoedigt om cognitieve dissonantie te vermijden en onderwijs dat een kritische beschouwing van bestaande kennis aanmoedigt. Het westen hanteert een open samenleving waarin men zijn meningen moet kunnen bijstellen op grond van ervaring. De islam is daarentegen een gesloten systeem waar de juiste mening gedefinieerd is los van ervaring.
Maar cognitieve dissonantie speelt ook een rol bij minder grote beslissingen als wel of niet moslim blijven. Moslims in Nederland worden regelmatig geconfronteerd met tegenstrijdige cognities: nu eens worden ze geacht zich aan te passen aan de seculiere Europese normen, dan weer worden ze verondersteld om hun eigen cultuur te volgen, bijvoorbeeld op gebied van kleding en begroeting.
De theorie van de cognitieve dissonantie verklaart waarom moslims in dit soort onduidelijke situaties bijna altijd geneigd zullen zijn om zich te identificeren met de cognities van moslims in hun omgeving. Met andere moslims bestaat immers een grotere overeenstemming van cognities dan met de cognities van westerlingen, zodat de cognitieve dissonantie met moslims veel kleiner is dan met de westerlingen. Een moslim zal zich niet snel identificeren met westerse cognities, tenzij hij daartoe gewichtige redenen heeft. Het breken met cognities betekent breken met je sociale omgeving.
STELLINGEN:
1. Geloof in het algemeen, maar islam in het bijzonder, leidt tot onmondigheid doordat in de islam expliciet voorschriften zijn geformuleerd die het eigen denken beperken. Een moslim die het eigen oordeel wil volgen komt vroeg of laat in conflict met het geloof en medegelovigen.
2. De spanningsboog tussen het Verlichtingsdenken dat typisch is voor Europa en het islamitische denken is zo groot, dat niet duidelijk is hoe een westerse islam zou kunnen ontstaan, want de cognities zijn niet te verenigen.
3. De theorie van de cognitieve dissonantie verklaart waarom individuen zich moeilijk kunnen onttrekken aan de algemene opvattingen in een gesloten denkstelsel, zelfs al leven ze in een open samenleving.
Puzzels