misschien dat Dennett ons een beetje verder kan helpen... schreef:Een korte schets van de evolutionaire weg die, volgens Dennett, tot ons menselijk bewustzijn heeft geleid:
*1. De eerste organismen waren vermoedelijk simpele virusachtige eiwitten. Door het stomme toeval dat deze organismen in een milieu verkeerden waarin ze enige tijd in stand bleven, en het even stomme toeval dat ze kopieën van zichzelf bleken voort te brengen, waren deze chemische structuren in feite organismen.
(Wat een chemische structuur tot iets levends, tot een organisme maakt, is immers het reproductievermogen. Of dit nu generatief (geslachtelijk) of vegetatief is, doet er niet toe; het gaat er om dat het DNA zich multipliceert.)
Er bestaat binnen een virusachtig eiwit totaal geen representatie van zijn omgeving.
*2. Vervolgens verschenen er -door even toevallige mutaties uiteraard- organismen ten tonele die responsies vertoonden: Terugtrekking en toenadering. Soms bleken toenaderingsresponsies tot de dood te leiden, namelijk als het organisme zich naar zijn 'vijand' toe begaf, in plaats van er van af. Maar andere responsies bleken adequaat voor het voortbestaan van het eigen DNA: Toenaderingsresponsies in geval van voedsel en mogelijke 'partners', gecombineerd met terugtrekresponsies bij de confrontatie met wezentjes en milieu-omstandigheden die dit organisme zouden kunnen vernieten (bijv. opeten resp. verschroeien).
Een wezen uit deze evolutionaire 'bewustzijns'-fase houdt zich niet met planning bezig. De voorstellingen of representaties die zo'n wezen zich vormt (via sensorische input, van de wereld om hem heen) zijn minimaal en vluchtig van aard. Anders gezegd: De anticipatie van zo'n organisme is slechts proximaal (nabij) van aard.
*3. De derde evolutionaire bewustzijnsfase (of althans representatiefase) kenmerkt zich door korte-termijn anticipatie. Signalen uit de omgeving leiden tot een adequate respons, een gedraging die niet direct verdwijnt als bijvoorbeeld het gevaar zich even verschuilt. Er wordt immers geanticipeerd.
*4. In dit stadium bevinden zich wezens die over een verticale-symmetrie-detector beschikken. Door dit mechanisme onderscheidt het organisme symmetrische verschijnselen van al het overige dat voor zijn ogen verschijnt, de aandacht wordt er op gevestigd. Bij het verschijnen van een verticale entiteit reageert het wezen hierop met een zgn 'oriëntatieresponsie': De neurale activiteit wordt tijdelijk verhoogd en er komt een 'tijdelijk gecentraliseerde controlekamer' tot stand.
Het evolutionaire nut ervan (waarmeee het voortbestaan van de symmetriedetector gegarandeerd is) is dat 'iets symmetrisch' vaak vriend, vijand of voedsel is. Alertheid komt juist bij deze drie confrontaties goed van pas: Het wezen is door deze alertheid beter in staat om snel een (voor de eigen genen) gunstige gedragsoptie te kiezen.
*5. In deze fase is de regelmatige alertheid veranderd in regelmatige exploratie. Wezens in dit evolutionaire representatie-stadium kenmerken zich door 'epistemische honger', het zijn 'informavoren' geworden. Doordat de evolutie zich kenmerkt door tinkering (dat is knutselen, knoeien), en niet volgens één-of-ander plan of blauwdruk verloopt, is er geen volledig nieuw systeem voor informatieverwerking (of -representatie) ontstaan; het mensenbrein wordt ook wel een 'triune brain' genoemd (Vroon, MacLean).
Deze drie-eenheid (die geen eenheid is, maar verdeeldheid) bestaat uit drie componenten: De evolutionair zeer oude hersenstam ('reflexen en instincten'), het limbische systeem ('emotie en operante conditionering') en de neocortex ('denken').
Bij zoogdieren zijn twee gespecialiseerde gebieden ontstaan: Het dorsale hersengebied (achterzijde), dat on-line-besturingsverantwoordelijkheden kreeg om het lichaam van gevaar af te houden. Dit zijn spatio-temporele functies.
Het ventrale gebied (voorzijde van het zoogdierbrein) kon zich hierdoor gaan specialiseren op details, en kon dingen op seriële wijze analyseren. Later is dit volgens Kinsbourne, waarop Dennett zich ten dele baseert, verwisseld: De functies van het ventrale gebied verhuisden naar de linkerhersenhelft, die van het dorsale gebied naar de rechterhersenhelft.
*6. Tegelijk met het ontstaan van exploratieve vermogens ontwikelde zich het leervermogen. Het zenuwstelsel kreeg een zekere plasticiteit.
Die plasticiteit kan er als volgt uit zien:
A: In de 'bedradingsschema's' (neurieten, dendronen en neuronen) van een brein wordt gersnoeid en opnieuw verbonden. Deze 'hardware'-verandering vindt continu plaats als gevolg van ervaringen.
B: De 'software', de programma's die draaien op het materiële substraat (op de grijze massa van neuronen, neurieten en dendronen) evolueren in de loop van een leven onder invloed van ervaringen. Een programma kan veranderen, kan verdwijnen en nieuwe programma's kunnen geïmplementeerd worden op de 'hardware. Zowel A als B zijn compatible met het concept 'memen' (zie verderop).
http://www.fss.uu.nl/wetfil/96-97/dennett.htm