Ik begin het idee te krijgen dat jij het idee hebt dat er geen verschil is tussen het toevallig ontstaan van een volledig aminozuur en het ontstaan van een aminozuur dat het resultaat is van een stuurloos, willekeurig proces waarvan de tussenresultaten de inherente eigenschappen hebben die tot een aminozuur leiden.
Natuurlijk is er een verschil. Maar voor zover het eerste tot de mogelijkheden behoort is het een product van toeval, net zoals de vorming van aminozuren door katalyse dat is. Er is geen vooropgezetheid.
Dat laatste geldt voor alle informatie en vanuit dat perspectief is het niet mogelijk om het zinvol te hebben over wat dan ook. De praktijk lijkt echter wel degelijk zinvol te beschrijven te zijn. Wetenschap opereert onder de veronderstelling dat dit inderdaad het geval is en in die zin kun je dus wel dingen echt weten (zo beweer ik bijvoorbeeld echt te weten dat als ik iets van tafel gooi het naar de grond zal vallen en vanuit praktisch oogpunt is dit ook zo).
Nogmaals, je vermoedt te weten. Het vermoeden wordt pas weten als het gebeurd is.
en:
Kortom je zegt dat het niet mogelijk is om wat voor 'zekere' uitspraak dan ook te doen. Dat mag je van mij best zeggen, maar dan is het niet zinnig om verder te praten (zeker niet op een wetenschapsforum aangezien het een niet wetenschappelijk standpunt is).
Dan stoppen we toch met de dicussie? Wetenschap bedrijven is uitgaan van bepaalde afspraken die vooraf zijn gemaakt. Dit conflicteert met het gegeven dat wij de realiteit nooit werkelijk zullen kennen, want kennis zal met de tijd veranderen en oude vooronderstellingen zullen gedateerd raken. Zeker met betrekking tot zaken die niet direct kunnen worden waargenomen en bewezen. Dan wordt aanname de norm, maar deze heeft - als je het zuiver bekijkt - geen bewijswaarde waarmee een claim kan worden gelegd welke tot dogma kan verworden. De volgende uitspraken uit een oratie van prof. P. Ehrenfreud voor de Katholieke Universiteit Nijmegen zijn tot besluit misschien wel interessant om aan te halen:
'Het ontstaan van leven is één van de moeilijkst te onderzoeken gebieden in de wetenschap.Recente ontwikkelingen en ontdekkingen in de chemie hebben geleid tot een aantal experimenteeltestbare theorieën. Het wordt algemeen aangenomen dat het leven op aarde is ontstaan zodra de omstandigheden dat toe lieten. De periode waarin het leven is ontstaan, wordt aan de ene kant begrensd door inslagen van een dusdanige omvang en frequentie in de eerste 700 miljoen jaar van haar bestaan dat de gehele aarde daardoor gesteriliseerd werd. Dit is afgeleid uit inslagkraters opde maan die ongeveer vier miljard jaar of ouder zijn. De andere kant van de ontstaansperiode wordt bepaald door insluitsels in een in Groenland gevonden steen, waarvan de leeftijd met behulp van koolstofisotoopdatering op 3,8 miljard jaar isbepaald. Daarnaast zijn er de 3,5 miljard jaar oude Australische microfossiele afzettingen, hoeweler enige onenigheid bestaat over de biologische oorsprong van dit bewijs. Sommige wetenschappers claimen dat de tijd tussen het ontstaan van leven en de opkomst van fotosynthetische bacteriën slechts tien miljoen jaar bedraagt. Dit is gebaseerd op experimentendie aantonen dat de meeste prebiotische syntheses op geologische tijdschaal snel verlopen en oplaboratorium modellen die aantonen dat macromoleculen met grote katalytische activiteit snelgevormd kunnen worden uit een willekeurige verzameling monomeren, zoals bijvoorbeeld de invitro evolutie van katalytisch RNA uit de nucleïnezuren monomeren.
--------------------------------------------------------------------------------
Page 6
De meeste theorieën aangaande het ontstaan van leven suggereren dat het leven is begonnen met een chemisch systeem dat zich op de één of andere manier ontwikkeld heeft tot een zichzelf instand houdende entiteit. Een verklaring voor de aanwezigheid van deze organische, prebiotische moleculen is dus de eerste belangrijke stap op weg naar een compleet model over het ontstaanvan leven. Er zijn in theorie drie belangrijke bronnen die de aanwezigheid van organischemoleculen kunnen verklaren [5]. Ten eerste kunnen zij gevormd zijn via Miller-Urey-achtigesynthese uit gereduceerde gassen in de atmosfeer met elektrische ontladingen, UV licht of anderevormen van hoog energetische straling als energiebron. Daarnaast kunnen prebiotische moleculendoor middel van stofdeeltjes, kometen of zogenaamde carbonaceous chondrites(koolstofhoudende meteorieten) vanuit de ruimte op aarde terecht zijn gekomen. Tenslotte zijn ermogelijk prebiotische moleculen gevormd door op mineralen gekatalyseerde syntheses in en rond hydrothermal vents (heet water bronnen op de oceaanbodem) of via Fischer-Tropsch-achtigesynthese. Omdat er op dit moment weinig gegevens beschikbaar zijn over de atmosferische, oceanische engeologische toestand van de prebiologische aarde, is het onmogelijk om definitief te concluderen welke van deze bronnen de belangrijkste was. Elk van deze bronnen is experimenteel onderzochtop de vorming van moleculen uit de belangrijkste klassen van biologische bouwstenen, zoalspurines, pyrimidines, aminozuren, membraanvormende stoffen en porphyrines. Zo heeft elke bronzijn voor- en nadelen wat betreft de produkten die er gevormd worden en de waarschijnlijkheiden efficiëntie waarmee ze gevormd worden. Hoewel de synthese van kleine, monomere moleculen op een aannemelijke manier is aangetoond,moeten deze moleculen om leven te laten ontstaan in grotere structuren van hogere organisatiegerangschikt worden, waardoor ze katalytisch actief worden of gecodeerde informatie gaanbevatten. Oligomeren zoals oligonucleotiden of oligopeptiden, of aggregaten zoals lipid vesicles, hebben eigenschappen als katalytische activiteit of informatieopslag.Naast de drie theorieën over de oorsprong van de prebiotische moleculen op aarde, zijn er drie concurrerende theorieën over de chemische evolutie van het leven. De eerste theorie is demetabolisme eerst theorie. Deze theorie gaat uit van een set gekatalyseerde reacties waaruit hetleven is ontstaan. De membraan eerst theorie stelt dat de vorming van lipid bilayers hetmogelijk maakte om membranen te maken waarmee energie gewonnen kon worden. Tenslottewordt in de gen eerst theorie gesteld dat het ontstaan van leven onlosmakelijk verbonden is met het ontstaan van een manier om de informatie over katalytische activiteit door te geven. De temperatuur waarbij het leven ontstaan is, blijft een heikel punt. Een hete aarde, tegen hetkookpunt van water aan, is gesuggereerd als temperatuur waarbij het leven ontstaan is, maar ookhet complete tegenovergestelde, een bevroren aarde. Een derde stroming zegt dat de aarde sindshet ontstaan van leven juist een gematigd klimaat kent, enkel onderbroken door enkele koudereperiodes tijdens de verschillende ijstijden. Fylogenetische stambomen gebaseerd op rRNA latenzien dat de laatste gemeenschappelijke voorouder van alle moderne levende organismen waarschijnlijk een thermofiele bacterie is geweest. Hieruit kan worden geconcludeerd dat hetleven bij hoge temperaturen moet zijn ontstaan. Maar de hydrolytische instabiliteit van veleorganische stoffen en de instabiliteit van de secundaire en tertiaire structuren van de meestebiomoleculen argumenteren juist voor het ontstaan van leven bij lage tot gematigde temperaturen.De conclusie dat de laatste gemeenschappelijke voorouder een mesofiele bacterie moet zijngeweest wordt ondersteund door metingen aan guanine en cytosine in het RNA. In elke niche op aarde waar water aanwezig is, kunnen levende organismen aangetroffen worden,die vanwege de extreme omstandigheden waarbij ze gedijen extremofielen worden genoemd.Extremofielen komen onder andere voor in milieus variërend van pH 0,6 tot pH 12,5, bijtemperaturen van -2 tot 115 °C, drukken tot 110 MPa en zoutgehaltes tot 37,5 % NaCl [6].Hoewel hieruit geconcludeerd zou kunnen worden dat het leven in een brede verscheidenheid aanmilieus kan zijn ontstaan, moet in gedachte worden gehouden dat extremofielen hoog
--------------------------------------------------------------------------------
Page 7
geëvolueerde organismen zijn. Zij laten ons eerder het onvoorstelbare aanpassingsvermogen van het leven zien, dan dat zij ons iets vertellen over de condities waaronder het leven is ontstaan. Er zijn in principe twee manieren om naar het ontstaan van leven te kijken, de zogenaamde top down methode en de bottom up methode. De bottom up methode kijkt naar de moleculen die opde primitieve aarde aanwezig waren en hoe die samen zijn gevoegd tot grotere, replicerende enkatalytische structuren onder plausibele geochemische condities. Deze methode is moeizaamtoepasbaar vanwege de eerder genoemde onzekerheden in de omstandigheden op de primitieve aarde. De top down methode probeert met behulp van moderne biochemische en moleculairbiologische technieken de meest fundamentele eigenschappen van een levende cel te deduceren,zonder welke leven niet zou kunnen bestaan. De resultaten van het top down onderzoek wordt door de verschillende theorieën van het ontstaanvan leven gebruikt als bewijs. Zo kan aangetoond worden dat er zonder membranen geenenergietransductie plaats vindt. Evenzogoed kan worden aangetoond dat enzym-katalyse essentieel is om significant metabolisme te laten plaatsvinden. Of dat nucleïnezuren de sine quanon van het leven zijn. Erkenning van de centrale rol die RNA speelt in de eiwit-biosynthese en genetischeinformatieoverdracht, de ontdekking van katalytisch RNA en moleculaire fossielen hebben hetconcept RNA-wereld vorm gegeven. De RNA-wereld is een periode waarin RNA tegelijkfunctioneerde als katalysator en informatiedrager. Later werd gecodeerde eiwitsyntheseontwikkeld, waarbij katalytische taken werden overgenomen door eiwitten en het stabielere DNAmolecule de taak van informatiedrager kreeg.Het merendeel van de experimentele resultaten lijkt in de richting van deze gen eerst theorie tewijzen, hoewel hier enige experimentele bevooroordeeldheid kan bestaan. Het blijkt echtermoeilijk te zijn RNA te vormen in prebiotische syntheses en ook de stabiliteit van RNA speelt degen eerst theorie parten. Daarom is er een variant ontwikkelt die suggereert dat er een meerrobuuste polymeer bestond die RNA voor ging. Ondanks veel speculaties over de aard van dezepolymeer, hebben recente experimenten aangetoond dat RNA en DNA niet uniek zijn in huncapaciteit als informatiedrager. Een fundamentele eigenschap van leven is de chiraliteit van de meeste bouwstenen. In de natuurkomen een groot aantal moleculen voor waarvan het spiegelbeeld niet hetzelfde is als hetorigineel, vergelijkbaar met de linker en rechter hand. Hoewel die er hetzelfde uitzien, kun je zeniet over elkaar heen leggen. Twee niet-identieke spiegelbeeldmoleculen worden chiralemoleculen genoemd. Het leven blijkt een voorkeur te hebben voor één van de twee chiralemoleculen. Zo gebruiken alle levende organismen op aarde uitsluitend linksdraaiendeaminozuren. Verschillende theorieën zijn opgesteld om de oorsprong van deze voorkeur te verklaren. Demeeste theorieën zijn gebaseerd op een chemisch amplificatieschema, maar ze verschillen in deaard van het initiële te versterken verschil: willekeurige fluctuaties, elektrozwakke interactie, ofbuitenaardse invloeden. Een niet-racemische verhouding, waarbij één van de twee spiegelbeeldenmeer aanwezig is, is tot nog toe alleen gevonden in meteorieten. Twee belangrijke hindernissen moeten nog genomen worden voordat we de chemische oorsprong van het leven kunnen begrijpen. De eerste is de aard van de eerste katalysator, de tweede is de manier waarop deze katalysator zich organiseerde in polymeren van voldoende lengte om een driedimensionale structuur te vormen die in staat is een katalytische active site te vormen.
Voortschrijdende kennis in gestuurde evolutie en membraanbiofysica maken de synthese van simpele, levende cellen een reëel voorstelbaar doel, zo niet een toekomstige werkelijkheid.'
Toeval als drijfveer voor de ontwikkeling van het eerste leven en van steeds complexere levensvormen is niet te bewijzen. Vooropgezetheid (uitgaan van een ontwerp) tot op bepaalde hoogte wel.
De juiste vraag is de vraag die uit objectiviteit geboren wordt.