Een halfgeleiderkristal bevat elektronen in energiebanden. Bij lage temperatuur is de valentieband meestal volledig gevuld. Wanneer een elektron voldoende energie krijgt (door warmte of licht), kan het naar de geleidingsband springen. In de valentieband blijft dan een lege plaats achter. Die lege plaats noemen we een gat.
Omdat elektronen negatief geladen zijn, gedraagt zo'n ontbrekend elektron zich alsof er een positief geladen deeltje aanwezig is. Wanneer een naburig elektron de lege plaats opvult, ontstaat elders weer een lege plaats. Daardoor lijkt het alsof het gat zelf door het kristal beweegt.
Een gat heeft daarom eigenschappen die lijken op die van een echt deeltje:
- een positieve lading +e;
- een effectieve massa;
- een impuls;
- het kan bijdragen aan elektrische stroom.
Wiskundig is een gat een excitatie van de vrijwel volledig gevulde valentieband. In plaats van de beweging van miljarden elektronen in die band te beschrijven, is het veel eenvoudiger om de enkele ontbrekende elektronen te beschouwen als positief geladen quasideeltjes.