a is de schaalfactor. (Zie een aantal filmpjes van PBS Spacetime of lees de site:
https://www.pbslearningmedia.org/resour ... pace-time/
Zie wel eerst deel 1 en eventueel gerelateerde videos.)
Maar een wat eenvoudiger antwoord op je laatste vraag wat hopelijk ook je bijna identieke vraag in het topic "beweegt ruimte?" beantwoordt:
Zonder uitdijing reist licht simpelweg met c van A naar B, afstand/tijd = d/c.
Door uitdijing worden onderling afstanden groter, zoals de afstand tussen A en B, terwijl het licht onderweg is. Daardoor daalt de coördinatensnelheid van het licht: het heeft als het ware steeds meer moeite om tegen de recessiesnelheden door de uitdijing in te reizen.
Als de uitdijing te snel gaat, bereikt het licht de waarnemer nooit en ontstaat er een horizon.
Tijdens inflatie was dit een klein volume met een causale horizon. Vandaag, door donkere energie, hebben we een kosmische event horizon.
Dus uitdijing kan ervoor zorgen dat licht sommige punten nooit bereikt, terwijl in een statische ruimte dat altijd zou kunnen.
Astronomische afstanden in een uitdijend heelal heeft dan ook helemaal geen absolute betekenis. Men gebruikt alleen de rodeverschuiving z.
Want "een ver sterrenstelselcluster bevindt zich op bijvoorbeeld 13,2 Gly van ons" is een onzinnig uitspraak: het is onmogelijk te zeggen wat de absolute afstand precies is en onduidelijk wat er bedoeld wordt: de afstand op het moment dat het licht werd uitgezonden? Of op het moment dat het licht bij ons aankwam? Of gaat het om de ‘light travel distance’? De absolute afstand op een specifiek tijdstip is dus niet vast te stellen.
Voor kosmologen is dit echter geen enkel probleem: zij zijn enkel geïnteresseerd in wat ze kunnen waarnemen, dus in het licht en de optische effecten van dat cluster, niet in een precieze fysieke afstand.