Op basis van foto's van mijn tippetop met een stip erop, bij belichtingstijden van 1/150 s en 1/300 s, schat ik dat ik hem met een vingerknip een beginsnelheid geef van 400 rpm. Dat blijkt aardig te kloppen met de theorie van chatgpt:
Ik vroeg stapsgewijs aan chatgpt:
> Hoe groot is de verhouding
\(I_{1}/I_{3}\) gewoonlijk bij een tippetop?
Goede vraag, want juist de verhouding
\(I_{1}/I_{3}\) bepaalt of een tippetop wel of niet kan omkeren.
---
### Inertiemomenten van een tippetop
*
\(I_{1}=I_{2}\): traagheidsmoment rond een as
loodrecht op de symmetrie-as.
*
\(I_{3}\): traagheidsmoment rond de
symmetrie-as (de draai-as door het zwaartepunt).
Voor een
perfect bolvormig lichaam (massief of hol):
\(
I_{1}=I_{3} \quad \Rightarrow \quad \frac{I_{1}}{I_{3}}=1.
\)
Zo’n top keert dus niet om.
---
### Voor een echte tippetop
Een werkende tippetop heeft een massaverdeling die
het zwaartepunt naar beneden verschuift. Daardoor wordt het traagheidsmoment loodrecht op de symmetrie-as groter dan rond de symmetrie-as.
Uit literatuur (o.a. Moffatt & Shimomura 2002; Ueda 2005; Cohen & Jensen 2004):
\(
\frac{I_{1}}{I_{3}} \;\;\text{ligt meestal tussen}\; 1.2 \;\text{en}\; 1.5 .
\)
*
Voorwaarde voor inversie: \(I_{1}>I_{3}\).
*
Praktisch ontwerp: fabrikanten kiezen vaak iets in de buurt van
1.3 als veilige marge.
---
Kort antwoord:
Bij een gewone, goed ontworpen tippetop is de verhouding
\(\;I_{1}/I_{3}\;\) meestal
rond 1.2–1.5.
=====================================
Wil je dat ik een voorbeeldberekening maak van
\(I_{1}/I_{3}\) voor jouw top (met
\(m=21\) g,
\(R=28\) mm en
\(a=14\) mm) met een eenvoudig model (bijv. een bolschil plus een verplaatste massa)?
> Ja
Ik heb een kort rekenoverzicht gemaakt met een simpel, realistisch model: een dunne bolschil (massa
\(m_s\)) plus een geconcentreerde massa
\(m_c\) op de symmetrie-as op afstand
\(a\) van het centrum. De totale massa is
\(m=m_s+m_c=21\ \text{g}\). Voor dit model geldt:
* traagheidsmoment bolschil:
\(I_{\text{shell}}=\tfrac{2}{3}m_sR^2\).
* puntmassa op as: draagt
\(m_c a^2\) bij aan
\(I_1\) maar niets aan
\(I_3\).
* dus
\(I_1 = I_{\text{shell}} + m_c a^2,\; I_3 = I_{\text{shell}}\).
* verhouding:
\(I_1/I_3 = 1 + \dfrac{m_c a^2}{(2/3)m_sR^2}\).
Ik heb de verhouding
\(I_1/I_3\) numeriek uitgerekend voor verschillende aannames over de fractie
\(m_c/m\). De resultaten (samengevat):
*
\(m_c=0\) (geen extra massa):
\(I_1/I_3 = 1.00\) (geen inversieverwachting).
*
\(m_c=5\%\) van
\(m\) (≈1.05 g):
\(I_1/I_3 \approx 1.02\).
*
\(m_c=10\%\) (≈2.1 g):
\(I_1/I_3 \approx 1.04\).
*
\(m_c=20\%\) (≈4.2 g):
\(I_1/I_3 \approx 1.09\).
*
\(m_c=30\%\) (≈6.3 g):
\(I_1/I_3 \approx 1.16\).
*
\(m_c=50\%\) (≈10.5 g):
\(I_1/I_3 \approx 1.38\).
*
\(m_c=70\%\) (≈14.7 g):
\(I_1/I_3 \approx 1.88\).
Interpretatie:
* Voor een werkende tippetop volstaat vaak een relatief kleine geconcentreerde massa (≈20–30% van de totale massa) om
\(I_1/I_3\) in het gebruikelijke bereik
\(1.1\!-\!1.5\) te krijgen.
* Als de “balans” erg klein is (minder dan ~ 10% van de massa), is de verhouding dicht bij 1 en is inversie onwaarschijnlijk.
* Voor jouw specificaties (R=28 mm, a=14 mm) geeft bijvoorbeeld een extra massa van ~ 6–10 g (≈30–50% van 21 g) een
\(I_1/I_3\) tussen ≈1.16 en ≈1.38 — precies in het experimenteel gunstige bereik.
=============
> Bereken de snelheid waarbij de tippetop omkeert, als m = 21 gram, R = 28 mm, a = 14 mm
Prima — ik ga uit van
draaisnelheid (hoeksnelheid ω / of omwentelingen per minuut). Ik geef drie consistente schattingen (stap-voor-stap) die eerder in het gesprek ook zijn gebruikt.
Gegeven:
\(m=0{,}021\ \mathrm{kg},\; R=0{,}028\ \mathrm{m},\; a=0{,}014\ \mathrm{m},\; g=9{,}81\ \mathrm{m/s^2}.\)
We gebruiken de eenvoudige Jellett-achtige schaal
\(
\omega_c \approx \sqrt{\frac{g\,a}{k\,R^2}},
\)
met
\(I=k m R^2\). Hieronder drie gevallen.
# 1) Holle (dunne) bol —
\(k=\tfrac{2}{3}\)
Berekening (digit-by-digit):
\(
R^2=0{,}028^2=0{,}000784,
\)
\(
g a=9{,}81\cdot 0{,}014=0{,}13734,
\)
\(
kR^2=\tfrac{2}{3}\cdot 0{,}000784=0{,}000522666\ldots
\)
\(
\frac{g a}{kR^2}=\frac{0{,}13734}{0{,}000522666\ldots}=262{,}78
\)
\(
\omega_c=\sqrt{262{,}78}\approx 16{,}21\ \mathrm{rad/s}.
\)
Omrekening:
\(\displaystyle\text{rpm}=\frac{\omega}{2\pi}\cdot60\approx 154{,}8\ \text{rpm}.\)
Holle bol: \(\boxed{\omega_c\approx 16{,}2\ \mathrm{rad/s}\approx 155\ \mathrm{rpm}}\).
# 2) Massieve (homogene) bol —
\(k=\tfrac{2}{5}\)
\(
kR^2=0{,}4\cdot0{,}000784=0{,}0003136,
\)
\(
\frac{g a}{kR^2}=\frac{0{,}13734}{0{,}0003136}=437{,}88
\)
\(
\omega_c=\sqrt{437{,}88}\approx 20{,}93\ \mathrm{rad/s},
\)
\(
\text{rpm}\approx 199{,}8\ \text{rpm}.
\)
Massieve bol: \(\boxed{\omega_c\approx 20{,}9\ \mathrm{rad/s}\approx 200\ \mathrm{rpm}}\).
# 3) Speciale Jellett-vorm (veelgenoemd in literatuur)
Soms gebruikt men onder andere idealisaties de eenvoudige uitdrukking
\(\; \omega_c \approx \sqrt{\dfrac{3g}{2R}}\;\), onafhankelijk van
\(a\). Voor
\(R=0{,}028\) m:
\(
\frac{3g}{2R}=\frac{29{,}43}{0{,}056}=525{,}54,\quad \omega_c\approx\sqrt{525{,}54}\approx 22{,}93\ \mathrm{rad/s},
\)
\(
\text{rpm}\approx 219\ \text{rpm}.
\)
# Samenvatting / aanbeveling
*
Holle (dunne) bol: ≈
155 rpm (16.2 rad/s).
*
Massieve bol: ≈
200 rpm (20.9 rad/s).
*
Sommige Jellett-idealiser.: ≈
219 rpm (22.9 rad/s).
In de praktijk: wrijving, contactcondities en exacte massaverdeling veranderen de benodigde beginsnelheid — dus start experimenteel iets boven deze drempel (typisch
~ 200–400 rpm) om betrouwbaar inversie te zien.