Je straalt in met EM-straling van een vaste golflengte. Deze golflengte komt overeen met een bepaalde hoeveelheid energie, via de Planck constante.
Deze energie komt overeen met het energieverschil tussen de twee spintoestanden.
Dit vormt de basis voor de vergelijking die je al noemde
De "B" in deze vergelijking staat voor het lokale magneetveld, dus de sterkte van het magneetveld dat de kern precies voelt. Dit wordt zoals ik al aangaf bepaald door het aangelegde magneetveld, wat ter plaatse verzwakt of versterkt wordt door shielding of deshielding effecten. De resonantiefrequentie van een kern is proportioneel met de lokale sterkte van het magneetveld.
Het gaat er dus om dat het lokale magneetveld zodanig is dat de resonantiefrequentie gelijk is aan de frequentie van de ingezonden straling.
De vraag was nu hoe je het
aangelegde magneetveld moet variëren zodat het
lokale magneetveld die sterkte heeft.
Laten we het eerderemvoorbeeld even omdraaien. We hebben onze magneet ingesteld op een bepaalde sterkte B
0. We kijken we eerst naar een kern (kern 1) die helemaal
niet is afgeschermd. En we hebben ons systeem zo ingesteld dat die kern in resonantie is met de ingezonden straling. Het magneetveld dat kern 1 ondervindt (B
1) is gelijk aan dat van het aangelegde veld, dus B
1 = B
0
Nu willen we naar een andere kern kijken die
meer is afgeschermd (kern 2). Die afscherming
verzwakt het veld dat met de magneet is aangelegd. Lokaal ondervindt kern 2 dus een zwakker magneetveld. Laten we dat veld even B
2 noemen.
B
2 is kleiner dan B
0 (en dus ook kleiner dan B
1). Deze kern is dus
niet in resonantie met de ingezonden straling.
Nu kunnen we B
0 gaan variëren. Hoe moeten we B
0 variëren zodat B
2 wel in resonantie komt met de ingezonden straling?