door ZVdP » di 07 dec 2010, 19:19
Ok, dan zullen we het niet te wiskundig proberen uit te leggen.
Wanneer je in de klassieke mechanica op een bepaald tijdsstip de snelheid en positie van een deeltje kent, dan kan je de verdere baan van dit deeltje perfect voorspellen.
In kwantummechanica gaat dit niet meer. Een deeltje wordt hier beschreven door een golffunctie en die geeft enkel een kans dat een deeltje zich op een bepaalde plaats zal bevinden en de kans dat het een bepaalde snelheid zal hebben.
Bijvoorbeeld voor een atoomorbitaal kan je zeggen dat het elektron met 80% kans zich op 0.5 angstrom van de kern bevindt, met 15% tussen 0.5 en 0.7 angstrom en met 5% verder dan 0.7 angstrom van de kern (willekeurige getallen).
Je kan dus niet zeggen dat het elektron zich op een bepaalde plaats bevindt. Dit noemt men superpositie.
Bij een meting (met oneindige precisie) van de positie krijg je een bepaalde waarde terug. Bv 0.21 angstrom. Nu is het deeltje niet meer in superpositie, want je weet de exacte positie. Als je nu vlak hierna (oneindig snel) weet je dat je opnieuw dezelfde waarde zult meten. Er is dus geen onzekerheid meer. Geen superpositie.
Hetzelfde geldt voor andere grootheden zoals impuls, energie,...
Stel dat je weet dat een elektron zich in orbitaal 1s bevindt, dan zit het niet in een superpositie als we de energie bekijken, want de energie van het 1s orbitaal is exact bepaald, maar wel in een superpositie als het op positie aankomt, want we kennen slechts de waarschijnlijkheden waar we het elektron kunnen aantreffen. Hetzelfde voor de impuls.
Maar na een meting verandert het. Als we een meting van de positie doen, weten we exact de plaats van het elektron, maar weten we weer niets meer over de energie. Je zal dus niet meer kunnen zeggen dat het elektron zich in een bepaald orbitaal bevindt, maar in een superpositie van orbitalen.
Men noemt het superpositie, omdat de functie die het deeltje beschrijft bestaat uit een som van verschillende functies. En elke functie heeft een bepaald gewicht, een kans, dat je bij een meting juist die functie zult meten.
De totale kans blijft natuurlijk 100%. Hierdoor kan je dus niet gewoon de 2 (of meerdere) functies optellen, want dan krijg je een totale kans van 200%, wat natuurlijk onzin is, maar moet je de som nog delen door wortel(2).
Is mijn uitleg een beetje duidelijk zo?
Ok, dan zullen we het niet te wiskundig proberen uit te leggen.
Wanneer je in de klassieke mechanica op een bepaald tijdsstip de snelheid en positie van een deeltje kent, dan kan je de verdere baan van dit deeltje perfect voorspellen.
In kwantummechanica gaat dit niet meer. Een deeltje wordt hier beschreven door een golffunctie en die geeft enkel een kans dat een deeltje zich op een bepaalde plaats zal bevinden en de kans dat het een bepaalde snelheid zal hebben.
Bijvoorbeeld voor een atoomorbitaal kan je zeggen dat het elektron met 80% kans zich op 0.5 angstrom van de kern bevindt, met 15% tussen 0.5 en 0.7 angstrom en met 5% verder dan 0.7 angstrom van de kern (willekeurige getallen).
Je kan dus niet zeggen dat het elektron zich op een bepaalde plaats bevindt. Dit noemt men superpositie.
Bij een meting (met oneindige precisie) van de positie krijg je een bepaalde waarde terug. Bv 0.21 angstrom. Nu is het deeltje niet meer in superpositie, want je weet de exacte positie. Als je nu vlak hierna (oneindig snel) weet je dat je opnieuw dezelfde waarde zult meten. Er is dus geen onzekerheid meer. Geen superpositie.
Hetzelfde geldt voor andere grootheden zoals impuls, energie,...
Stel dat je weet dat een elektron zich in orbitaal 1s bevindt, dan zit het niet in een superpositie als we de energie bekijken, want de energie van het 1s orbitaal is exact bepaald, maar wel in een superpositie als het op positie aankomt, want we kennen slechts de waarschijnlijkheden waar we het elektron kunnen aantreffen. Hetzelfde voor de impuls.
Maar na een meting verandert het. Als we een meting van de positie doen, weten we exact de plaats van het elektron, maar weten we weer niets meer over de energie. Je zal dus niet meer kunnen zeggen dat het elektron zich in een bepaald orbitaal bevindt, maar in een superpositie van orbitalen.
Men noemt het superpositie, omdat de functie die het deeltje beschrijft bestaat uit een som van verschillende functies. En elke functie heeft een bepaald gewicht, een kans, dat je bij een meting juist die functie zult meten.
De totale kans blijft natuurlijk 100%. Hierdoor kan je dus niet gewoon de 2 (of meerdere) functies optellen, want dan krijg je een totale kans van 200%, wat natuurlijk onzin is, maar moet je de som nog delen door wortel(2).
Is mijn uitleg een beetje duidelijk zo?