door Esera » di 21 okt 2008, 10:03
Ook ik heb grote moeite met artikel 6 van de GW. Het EVRM artikel 9 is al een grote stap voorwaarts omdat het recht om van religie te veranderen er uitdrukkelijk in is vastgelegd. In artikel 6 GW is dit recht om afvallige te worden slechts impliciet aanwezig. Dit geeft een bedoeling van de wetgever aan: het oogmerk van de wetgever was het beschermen van gelovigen tegen andersdenkenden in een seculiere samenleving. Andersom was minder belangrijk, want de staat is immers ongelovig.
Dit is een prima oplossing. Leven en laten leven. Dit werkt goed zolang je hebt te maken met geloven die min of meer gelijksoortig zijn, dat wil zeggen die hetzelfde wereldbeeld hanteren. Binnen de wereld van na 1700 en binnen de westerse context is dit een wettelijke oplossing die past bij het type samenleving en die past bij de christelijke beleving (Augustinus en de scheiding die hij aanbracht tussen de Stad van God en de Stad van de Overheid).
Maar de wereld is veranderd sindsdien. We leven niet meer ons hele leven in ongeveer dezelfde culturele omgeving. De omgeving verandert sneller dan we beseffen, omdat de merkbare effecten belangrijk naijlen bij de oorzaken. Ik heb dan ook een aantal opmerkingen bij het voorgaande.
1. Het beledigen van een geloofswaarheid (er is een god en die vertegenwoordigt een zo belangrijke waarde voor individu x, dat individu x zich beledigd mag voelen als men zegt dat die god niet bestaat) is onvermijdelijk het gevolg van artikel 6. Tijdens de Rushdie affaire in 1988 beweerden moslims dat ze het niet erg vonden dat Mohammed werd besproken of bekritiseerd, maar wel de manier waarop dat was gebeurd. Mohammed was namelijk met een onaardige naam aangeduid en hij en zijn trawanten waren geportretteerd als een zuipende, moordende en verkrachtende bende. Dit laatste was ook de werkelijkheid: meerdere hadith bevestigen dat de vechtjassen van Mohammed vaak dronken waren; dat moorden en vechten een opdracht van allah was, indien gedaan met de juiste intentie; dat verkrachten van slavinnen en andere overwonnen legitiem was. Moslims horen dat liever niet, ze verkiezen de gekuiste versie van Mohammed, om daar een morele superioriteit aan te ontlenen. De consequentie van de koppeling tussen beide niveaus (belediging, iets lelijks zeggen over iemand dat niet aangetoond kan worden) en de inhoud (lelijke dingen die wel onderbouwd kunnen worden) is fataal voor de uitoefening van de vrijheid van meningsuiting. Je kunt het een niet doen zonder het ander. Omdat de gelovige in kwestie alleen het een erkent en het ander als ongewenst ziet, wordt dus in feite alleen het geidealiseerde zelfbeeld van de gelovige beledigd. Door het aanbrengen van de koppeling aanvaard je stilzwijgend het wereldbeeld van de ander.
2. Als christenen wel beledigd mogen worden (Reve en Hermans werden aangeklaagd wegens godslastering, maar zonder succes) en moslims niet, dan is dat in strijd met artikel 1: gelijke behandeling in gelijke gevallen.
3. Artikel 6 en artikel 1 GW gaan voorbij aan de mogelijkheid dat geloven sterk verschillen in benadering van hun medemens. In de christelijke en seculiere visie is ieder mens gelijkwaardig vanwege zijn menszijn. In de islamitische visie zijn alle mensen alleen gelijk indien ze moslim zijn. Niet-moslims zijn alleen mensen in die zin dat ze geboren zijn als moslim, maar later op het verkeerde pad zijn gebracht en dus een vals bewustzijn hebben. Om die reden is het islamitisch correct om ze voor te liegen en te bestrijden voor het hogere doel: ze te herinneren dat islam de ware religie is.
4. Artikel 6 GW gaat bovendien voorbij aan de vrijheid van minderjarigen. Een minderjarige heeft geen keuze. Op de leeftijd waarop het onderscheid tussen feit en fictie nog moeilijk gemaakt kan worden, is de minderjarige maar al te snel geneigd om het geloof als een waarheid aan te nemen. Later is deze programmering zeer moeilijk ongedaan te maken, zeker bij een geloof als de islam, omdat die uitgebreide voorschriften geeft voor het dagelijkse leven en er dus zeer veel cognities verbonden zijn met dit geloof. De vrijheid van ouders om tijdens de opvoeding ook een godsdienstige opvoeding te geven, zou dan ook door de overheid in evenwicht gebracht moeten worden door al op de lagere school andere overtuigingen onder de aandacht te brengen. Op islamitische scholen wordt zoiets niet gedaan en die zouden daartoe verplicht moeten worden, op straffe van sluiting.
5. Dat het mogelijk is om kritiek uit te oefenen zonder beledigend te zijn, is een contradictio in terminis als het gaat om geloof. Om de eenvoudige reden dat de ultieme conclusie van de kritiek altijd is dat geloof bestaat uit het aanvaarden van authoriteit en dus het zelfbeeld van de gelovige aangrijpt, terwijl deze juist diepe zekerheden en vaak zelfs een superioriteitsgevoel ontleend aan het geloof. Het uitoefenen van kritiek op een centrale cognitie zal altijd een emotioneel-negatieve ervaring zijn voor de gelovige. Het is niet aannemelijk dat de gelovige neutraal zal zeggen: ik begrijp uw kritiek, maar ik ben het er niet mee eens. Alleen al het bestaan van de seculiere positie is niet aanvaardbaar voor islam en strikt verboden voor moslims, laat staan er in respecterende zin er over spreken.
Ook ik heb grote moeite met artikel 6 van de GW. Het EVRM artikel 9 is al een grote stap voorwaarts omdat het recht om van religie te veranderen er uitdrukkelijk in is vastgelegd. In artikel 6 GW is dit recht om afvallige te worden slechts impliciet aanwezig. Dit geeft een bedoeling van de wetgever aan: het oogmerk van de wetgever was het beschermen van gelovigen tegen andersdenkenden in een seculiere samenleving. Andersom was minder belangrijk, want de staat is immers ongelovig.
Dit is een prima oplossing. Leven en laten leven. Dit werkt goed zolang je hebt te maken met geloven die min of meer gelijksoortig zijn, dat wil zeggen die hetzelfde wereldbeeld hanteren. Binnen de wereld van na 1700 en binnen de westerse context is dit een wettelijke oplossing die past bij het type samenleving en die past bij de christelijke beleving (Augustinus en de scheiding die hij aanbracht tussen de Stad van God en de Stad van de Overheid).
Maar de wereld is veranderd sindsdien. We leven niet meer ons hele leven in ongeveer dezelfde culturele omgeving. De omgeving verandert sneller dan we beseffen, omdat de merkbare effecten belangrijk naijlen bij de oorzaken. Ik heb dan ook een aantal opmerkingen bij het voorgaande.
1. Het beledigen van een geloofswaarheid (er is een god en die vertegenwoordigt een zo belangrijke waarde voor individu x, dat individu x zich beledigd mag voelen als men zegt dat die god niet bestaat) is onvermijdelijk het gevolg van artikel 6. Tijdens de Rushdie affaire in 1988 beweerden moslims dat ze het niet erg vonden dat Mohammed werd besproken of bekritiseerd, maar wel de manier waarop dat was gebeurd. Mohammed was namelijk met een onaardige naam aangeduid en hij en zijn trawanten waren geportretteerd als een zuipende, moordende en verkrachtende bende. Dit laatste was ook de werkelijkheid: meerdere hadith bevestigen dat de vechtjassen van Mohammed vaak dronken waren; dat moorden en vechten een opdracht van allah was, indien gedaan met de juiste intentie; dat verkrachten van slavinnen en andere overwonnen legitiem was. Moslims horen dat liever niet, ze verkiezen de gekuiste versie van Mohammed, om daar een morele superioriteit aan te ontlenen. De consequentie van de koppeling tussen beide niveaus (belediging, iets lelijks zeggen over iemand dat niet aangetoond kan worden) en de inhoud (lelijke dingen die wel onderbouwd kunnen worden) is fataal voor de uitoefening van de vrijheid van meningsuiting. Je kunt het een niet doen zonder het ander. Omdat de gelovige in kwestie alleen het een erkent en het ander als ongewenst ziet, wordt dus in feite alleen het geidealiseerde zelfbeeld van de gelovige beledigd. Door het aanbrengen van de koppeling aanvaard je stilzwijgend het wereldbeeld van de ander.
2. Als christenen wel beledigd mogen worden (Reve en Hermans werden aangeklaagd wegens godslastering, maar zonder succes) en moslims niet, dan is dat in strijd met artikel 1: gelijke behandeling in gelijke gevallen.
3. Artikel 6 en artikel 1 GW gaan voorbij aan de mogelijkheid dat geloven sterk verschillen in benadering van hun medemens. In de christelijke en seculiere visie is ieder mens gelijkwaardig vanwege zijn menszijn. In de islamitische visie zijn alle mensen alleen gelijk indien ze moslim zijn. Niet-moslims zijn alleen mensen in die zin dat ze geboren zijn als moslim, maar later op het verkeerde pad zijn gebracht en dus een vals bewustzijn hebben. Om die reden is het islamitisch correct om ze voor te liegen en te bestrijden voor het hogere doel: ze te herinneren dat islam de ware religie is.
4. Artikel 6 GW gaat bovendien voorbij aan de vrijheid van minderjarigen. Een minderjarige heeft geen keuze. Op de leeftijd waarop het onderscheid tussen feit en fictie nog moeilijk gemaakt kan worden, is de minderjarige maar al te snel geneigd om het geloof als een waarheid aan te nemen. Later is deze programmering zeer moeilijk ongedaan te maken, zeker bij een geloof als de islam, omdat die uitgebreide voorschriften geeft voor het dagelijkse leven en er dus zeer veel cognities verbonden zijn met dit geloof. De vrijheid van ouders om tijdens de opvoeding ook een godsdienstige opvoeding te geven, zou dan ook door de overheid in evenwicht gebracht moeten worden door al op de lagere school andere overtuigingen onder de aandacht te brengen. Op islamitische scholen wordt zoiets niet gedaan en die zouden daartoe verplicht moeten worden, op straffe van sluiting.
5. Dat het mogelijk is om kritiek uit te oefenen zonder beledigend te zijn, is een contradictio in terminis als het gaat om geloof. Om de eenvoudige reden dat de ultieme conclusie van de kritiek altijd is dat geloof bestaat uit het aanvaarden van authoriteit en dus het zelfbeeld van de gelovige aangrijpt, terwijl deze juist diepe zekerheden en vaak zelfs een superioriteitsgevoel ontleend aan het geloof. Het uitoefenen van kritiek op een centrale cognitie zal altijd een emotioneel-negatieve ervaring zijn voor de gelovige. Het is niet aannemelijk dat de gelovige neutraal zal zeggen: ik begrijp uw kritiek, maar ik ben het er niet mee eens. Alleen al het bestaan van de seculiere positie is niet aanvaardbaar voor islam en strikt verboden voor moslims, laat staan er in respecterende zin er over spreken.