door Veertje » ma 11 jun 2007, 00:33
Even e.e.a opgezocht:
In de inleiding van Proslogion vraagt Anselmus zich af of er niet één argument gevonden kan worden dat aan zichzelf genoeg heeft om te bewijzen dat God bestaat. Welnu, nadat hij in het eerste hoofdstuk in één van de mooiste religieuze teksten uit de middeleeuwen zichzelf heeft opgeroepen om zich te richten op God, komt hij in hoofdstuk II bij een argument in de vorm van een negatieve omschrijving van God.
Hij stelt dat we vanuit het geloof het idee hebben dat God iets is waarboven niets groter gedacht kan worden en beargumenteerd van daaruit dat God daarom onmogelijk niet kan bestaan en verder dat God ook niet gedacht kan worden niet te bestaan. Anselmus doet dit door middel van een argumentatiestijl die hem eigen is: hij redeneert zo dat de ontkenning van een propositie of de afwijzing van een conclusie tot contradictie leidt. Hierbij hangt de noodzakelijkheid van een propositie of gevolgtrekking af van de zelfcontradictie van haar ontkenning. Dit is volgens hem de noodzakelijke rede (rationibus necessaris), waardoor mensen als het ware gedwongen zullen worden om de waarheid van het geloof in te zien. Aan deze noodzakelijke rede ontkomt ook de dwaas in Psalm 14:1 niet, die in zijn hart heeft gezegd: er is geen God wanneer hij God begrijpt als IQM. Als hij dit begrijpt en het dus in zijn verstand zit, dan móet het ook wel waarlijk bestaan, want iets dat in werkelijkheid bestaat is altijd groter dan iets dat alleen in het verstand aanwezig is. God moet dus noodzakelijk bestaan, maar kán ook niet gedacht worden niet te bestaan argumenteert Anselmus in hoofdstuk III.
Want als men zou kunnen denken dat IQM niet bestaat dan zou het niet meer datgene zijn waarboven niets groter gedacht kan worden. Iets dat niet gedacht kan worden niet te bestaan is namelijk altijd groter dan iets waarvan gedacht kan worden dat het niet bestaat. Het bestaan van God is dus zo waarachtig dat hij niet eens gedacht kan worden niet te bestaan. Kortom, Gods wezen en zijn bestaan vallen samen.
Anselmus geeft hier een belangrijke aanzet voor het onderscheid dat 13e eeuwse scholastici maakten tussen existentie en essentie. In hoofdstuk IV legt Anselmus middels het onderscheiden van twee betekenissen van denken uit hoe het toch kan dat de dwaas in zijn hart heeft gedacht dat er geen God is. Vanaf hoofdstuk V en verder gaat Anselmus in op de vraag wat God als IQM dan wel precies is, welke eigenschappen wij aan God kunnen toekennen. Welnu, omdat God zo volmaakt is dat men niets volmaakter kan denken, dan zal hij ook de eigenschappen bezitten waarvan het volmaakter is ze te hebben dan ze niet te hebben.
Bron:
http://hhth.files.wordpress.com/2007/03/pa...-godsbewijs.pdf
Opmerking: IQM = id quo maius cogitari non possit (dat wat niet groter gedacht kan worden)
Een andere (Duitse) site zegt over het gebruikte "cogitare":
Wichtig für das Verständnis ist Anselms Unterscheidung von "intelligere" (=verstehen) und "cogitare" (=denken). Den Terminus "intelligere" benutzt Anselm, wenn etwas gehört wird (und als Lautgebilde im Verstand ist), wenn über etwas ein Begriff gebildet wird, und wenn dieser Begriff der bezeichneten Sache entspricht. Den Terminus "cogitare" verwendet Anselm nur dann, wenn das, was gedacht wird, notwendig als seiend gedacht werden muss. Man kann also nur wahre und wirkliche Dinge denken (cogitare), während das Verstehen wahren oder falschen Inhalt haben kann (intelligere).
Bron:
http://arch.polylog.org/for/2002/405.htm
Vertaling van Hoofdstuk III Proslogion:
Hoofdstuk III
Dat niet gedacht kan worden dat Hij niet bestaat
Dit wezen bestaat zo waarlijk dat men zelfs niet kan denken dat het niet bestaat. Want men kan iets denken waarvan niet gedacht kan worden dat het niet bestaat; en dat is groter dan datgene waarvan wel gedacht kan worden dat het niet bestaat. Daarom, indien van 'datgene waarboven niets groter gedacht kan worden' gedacht kan worden dat het niet bestaat, dan is juist 'datgene waarboven niets groter gedacht kan worden' niet 'datgene waarboven niets groter gedacht kan worden'; wat tegenstrijdig is. Derhalve bestaat 'iets waarboven niets groter gedacht kan worden' zo waarlijk dat men zelfs niet kan denken dat het niet bestaat.
En dat zijt Gij, Heer, onze God. Zo waarlijk zijt Gij dus, Heer, mijn God, dat men zelfs niet kan denken dat Gij niet bestaat. En terecht. Want indien een geest iets beter dan U vermocht te denken, dan zou het schepsel stijgen boven de schepper en over de schepper oordelen, wat helemaal ongerijmd is. En inderdaad, gelijk wat anders, behalve U alleen, kan gedacht worden niet te bestaan. Derhalve bezit Gij alleen het zijn in de meest waarachtige zin en daarom ook het meest van al, omdat gelijk wat anders dat bestaat, niet zo waarlijk bestaat als Gij, en daarom het zijn in mindere mate heeft.
Waarom dan heeft de dwaas in zijn hart gezegd: er is geen God, terwijl het toch voor de redelijke geest zo evident is dat Gij het meest van al zijt? Waarom anders dan omdat hij dwaas en onverstandig is?
Bronnen:
http://community.compuserve.com/n/docs/doc...e7-247d4bfc1066
http://home.versatel.nl/julia-boulanger/Pa...s/Anselmus.html
Even e.e.a opgezocht:
[quote]In de inleiding van Proslogion vraagt Anselmus zich af of er niet één argument gevonden kan worden dat aan zichzelf genoeg heeft om te bewijzen dat God bestaat. Welnu, nadat hij in het eerste hoofdstuk in één van de mooiste religieuze teksten uit de middeleeuwen zichzelf heeft opgeroepen om zich te richten op God, komt hij in hoofdstuk II bij een argument in de vorm van een negatieve omschrijving van God.
Hij stelt dat we vanuit het geloof het idee hebben dat God iets is waarboven niets groter gedacht kan worden en beargumenteerd van daaruit dat God daarom onmogelijk niet kan bestaan en verder dat God ook niet gedacht kan worden niet te bestaan. Anselmus doet dit door middel van een argumentatiestijl die hem eigen is: hij redeneert zo dat de ontkenning van een propositie of de afwijzing van een conclusie tot contradictie leidt. Hierbij hangt de noodzakelijkheid van een propositie of gevolgtrekking af van de zelfcontradictie van haar ontkenning. Dit is volgens hem de noodzakelijke rede (rationibus necessaris), waardoor mensen als het ware gedwongen zullen worden om de waarheid van het geloof in te zien. Aan deze noodzakelijke rede ontkomt ook de dwaas in Psalm 14:1 niet, die in zijn hart heeft gezegd: er is geen God wanneer hij God begrijpt als IQM. Als hij dit begrijpt en het dus in zijn verstand zit, dan móet het ook wel waarlijk bestaan, want iets dat in werkelijkheid bestaat is altijd groter dan iets dat alleen in het verstand aanwezig is. God moet dus noodzakelijk bestaan, maar kán ook niet gedacht worden niet te bestaan argumenteert Anselmus in hoofdstuk III.
Want als men zou kunnen denken dat IQM niet bestaat dan zou het niet meer datgene zijn waarboven niets groter gedacht kan worden. Iets dat niet gedacht kan worden niet te bestaan is namelijk altijd groter dan iets waarvan gedacht kan worden dat het niet bestaat. Het bestaan van God is dus zo waarachtig dat hij niet eens gedacht kan worden niet te bestaan. Kortom, Gods wezen en zijn bestaan vallen samen.
Anselmus geeft hier een belangrijke aanzet voor het onderscheid dat 13e eeuwse scholastici maakten tussen existentie en essentie. In hoofdstuk IV legt Anselmus middels het onderscheiden van twee betekenissen van denken uit hoe het toch kan dat de dwaas in zijn hart heeft gedacht dat er geen God is. Vanaf hoofdstuk V en verder gaat Anselmus in op de vraag wat God als IQM dan wel precies is, welke eigenschappen wij aan God kunnen toekennen. Welnu, omdat God zo volmaakt is dat men niets volmaakter kan denken, dan zal hij ook de eigenschappen bezitten waarvan het volmaakter is ze te hebben dan ze niet te hebben.[/quote]
Bron: [url=http://hhth.files.wordpress.com/2007/03/paper-anselmus-en-zijn-godsbewijs.pdf]http://hhth.files.wordpress.com/2007/03/pa...-godsbewijs.pdf[/url]
Opmerking: IQM = id quo maius cogitari non possit (dat wat niet groter gedacht kan worden)
Een andere (Duitse) site zegt over het gebruikte "cogitare":
[quote]Wichtig für das Verständnis ist Anselms Unterscheidung von "intelligere" (=verstehen) und "cogitare" (=denken). Den Terminus "intelligere" benutzt Anselm, wenn etwas gehört wird (und als Lautgebilde im Verstand ist), wenn über etwas ein Begriff gebildet wird, und wenn dieser Begriff der bezeichneten Sache entspricht. Den Terminus "cogitare" verwendet Anselm nur dann, wenn das, was gedacht wird, notwendig als seiend gedacht werden muss. Man kann also nur wahre und wirkliche Dinge denken (cogitare), während das Verstehen wahren oder falschen Inhalt haben kann (intelligere).[/quote]
Bron: [url=http://arch.polylog.org/for/2002/405.htm]http://arch.polylog.org/for/2002/405.htm[/url]
Vertaling van Hoofdstuk III Proslogion:
[quote]Hoofdstuk III
Dat niet gedacht kan worden dat Hij niet bestaat
Dit wezen bestaat zo waarlijk dat men zelfs niet kan denken dat het niet bestaat. Want men kan iets denken waarvan niet gedacht kan worden dat het niet bestaat; en dat is groter dan datgene waarvan wel gedacht kan worden dat het niet bestaat. Daarom, indien van 'datgene waarboven niets groter gedacht kan worden' gedacht kan worden dat het niet bestaat, dan is juist 'datgene waarboven niets groter gedacht kan worden' niet 'datgene waarboven niets groter gedacht kan worden'; wat tegenstrijdig is. Derhalve bestaat 'iets waarboven niets groter gedacht kan worden' zo waarlijk dat men zelfs niet kan denken dat het niet bestaat.
En dat zijt Gij, Heer, onze God. Zo waarlijk zijt Gij dus, Heer, mijn God, dat men zelfs niet kan denken dat Gij niet bestaat. En terecht. Want indien een geest iets beter dan U vermocht te denken, dan zou het schepsel stijgen boven de schepper en over de schepper oordelen, wat helemaal ongerijmd is. En inderdaad, gelijk wat anders, behalve U alleen, kan gedacht worden niet te bestaan. Derhalve bezit Gij alleen het zijn in de meest waarachtige zin en daarom ook het meest van al, omdat gelijk wat anders dat bestaat, niet zo waarlijk bestaat als Gij, en daarom het zijn in mindere mate heeft.
Waarom dan heeft de dwaas in zijn hart gezegd: er is geen God, terwijl het toch voor de redelijke geest zo evident is dat Gij het meest van al zijt? Waarom anders dan omdat hij dwaas en onverstandig is?[/quote]
Bronnen: [url=http://community.compuserve.com/n/docs/docDownload.aspx?webtag=ws-nlnewage&guid=5547c658-ac22-4611-83e7-247d4bfc1066]http://community.compuserve.com/n/docs/doc...e7-247d4bfc1066[/url]
[url=http://home.versatel.nl/julia-boulanger/Pagina's/Anselmus.html]http://home.versatel.nl/julia-boulanger/Pa...s/Anselmus.html[/url]