kwasie schreef: ↑za 24 okt 2020, 00:24
Je titel moet zijn:
Is dit een goede zin?
of
Is deze zin goed?
De dit/deze/die/dat fouten zijn kenmerkend voor mensen met een migratieachtergrond. Maar wees gerust, ik heb in dit stukje tekst ook een werkwoord vermeden zodat ik niet hoefde uit te zoeken of het met -d of -dt was.
Wil je een aanwijzend voornaamwoord gebruiken dat verwijst naar een zelfstandig naamwoord, zijn er twee opties. Je verwijst naar een zelfstandig naamwoord dat als lidwoord 'de' heeft (een zogenaamd de-woord) of het gaat om een zelfstandig naamwoord dat als lidwoord 'het' heeft. In het eerste geval gebruik je 'deze' of 'die', in het tweede geval 'dit' of 'dat'.
Deze en
dit gebruik je voor iets dat dichtbij is, terwijl
die en
dat worden gebruikt als het gaat om iets dat verder weg staat.
Hoe weet je of een woord een de-woord of een het-woord is?
Het Nederlands kent twee bepaalde lidwoorden: het als het gaat om onzijdige woorden en de voor mannelijke en vrouwelijke woorden. Als Nederlands je moedertaal is, dan weet je meestal gevoelsmatig of een woord de of het krijgt. Maar veel mensen met een migratie-achtergrond moeten dit gewoon uit hun hoofd leren. Over het algemeen kun je het volgende aanhouden:
Het-woorden zijn de volgende woorden:
verkleinwoorden: het jongetje, het meisje
landen en plaatsen: het vissersdorp Katwijk, het grote Frankrijk
metalen: het goud, het zilver
sporten en spellen: het tennis, het bridgen
stofnamen: het brood, het hout
talen: het Nederlands, het Duits
windrichtingen: het noorden, het zuiden
woorden met twee lettergrepen die beginnen met be-, ge-, ver- en ont-: het bedrijf, getal, verstand en ontzag
woorden die eindigen op -isme, -ment, -sel en -um: het socialisme, het instrument, het kapsel en het museum
Het bovenstaande gaat om enkelvoud. In het meervoud krijgen alle zelfstandige naamwoorden het lidwoord de.
De-woorden zijn de volgende woorden:
vruchten, bomen en planten: de appel, de berk, de roos
rivieren en bergen: de Rijn, de Mont Blanc
cijfers en letters: de twee, de k, de tussen-n
woorden die personen aanduiden: de minister, de dame, de smid, uitzonderingen: het Kamerlid.
Lees verder
hier voor het bepalen of het gaat om een de- of een het-woord, en daarna
hier om te weten welk aanwijzend voornaamwoord gebruikt moet worden.