De
EPR paradox lijkt mij, in het geval van gepolariseerde fotonen, het volgende te zeggen: of een bepaald gepolariseerd foton A een filter X zal passeren is bepaald in een eigenschap van A ('verborgen variabelen'). Dit wil dus zeggen: de variabele bepaalt
vooraf en met
absolute zekerheid of het filter
wel of
niet gepasseerd wordt (?). Dit lijkt mij vreemd. Immers: je zou ook kunnen zeggen dat de verborgen variabele van A de
polarisatierichting betreft. In dat geval bepaalt de wet van Malus nog altijd de
kans dat het filter gepasseerd wordt. Immers: als de verborgen variabele <i>vooraf</i> bepaalt of het filter <i>wel</i> of <i>niet</i> gepasseerd wordt, dan kan het deeltje <i>in de toekomst kijken</i>
hoe het filter staat. Ik denk dat ik dit verkeerd snap?
Wat ik bedoel is: zeggen verborgen variabelen iets over het wel of niet passeren van de filters <i>sec</i>, of zeggen ze iets over het passeren van de filters <i>indien onder een bepaalde hoek?</i> Met andere woorden: wordt de geldigheid van de wet van Malus <i>impliciet</i> aangenomen (waardoor de stelling wordt: gegeven de kans dat het filter gepasseerd wordt [volgens de wet van Malus], wordt het filter <i>in dit </i>geval wel of niet gepasseerd), of wordt deze <i>niet in aanmerking genomen?</i>
Ten tweede wat zegt dit over de
verstrengeling (de correlatie) tussen twee fotonen A en B? Immers: een foton A kan met een kans
\(\frac{1}{2}\)
filter X passeren (dit is zo), en een foton B met een kans
\(\frac{1}{2}\)
filter Y, maar wat zegt de stelling van Bell over het al dan niet aanwezig zijn van de correlatie tussen de twee zoals optreedt bij
verstrengeling?
Wat ik bedoel, is dat 1) wat zegt de EPR paradox (en de
stelling van Bell) over het optreden van 'kans' bij de filters (omdat de verborgen variabelen al met zekerheid zeggen of het filter wel of niet gepasseerd gaat worden), en 2) wat heeft het te maken met verstrengeling (non-lokaliteit). Misschien leg ik het wat ingewikkeld uit, maar wat begrijp ik verkeerd aan de EPR-paradox en de stelling van Bell?
De [url=https://nl.wikipedia.org/wiki/EPR-paradox]EPR paradox[/url] lijkt mij, in het geval van gepolariseerde fotonen, het volgende te zeggen: of een bepaald gepolariseerd foton A een filter X zal passeren is bepaald in een eigenschap van A ('verborgen variabelen'). Dit wil dus zeggen: de variabele bepaalt [i][u]vooraf[/u][/i] en met [i][u]absolute zekerheid[/u][/i] of het filter [i][u]wel[/u][/i] of [i][u]niet[/u][/i] gepasseerd wordt (?). Dit lijkt mij vreemd. Immers: je zou ook kunnen zeggen dat de verborgen variabele van A de [u]polarisatierichting[/u] betreft. In dat geval bepaalt de wet van Malus nog altijd de [u]kans[/u] dat het filter gepasseerd wordt. Immers: als de verborgen variabele <i>vooraf</i> bepaalt of het filter <i>wel</i> of <i>niet</i> gepasseerd wordt, dan kan het deeltje <i>in de toekomst kijken</i> [u]hoe[/u] het filter staat. Ik denk dat ik dit verkeerd snap?
Wat ik bedoel is: zeggen verborgen variabelen iets over het wel of niet passeren van de filters <i>sec</i>, of zeggen ze iets over het passeren van de filters <i>indien onder een bepaalde hoek?</i> Met andere woorden: wordt de geldigheid van de wet van Malus <i>impliciet</i> aangenomen (waardoor de stelling wordt: gegeven de kans dat het filter gepasseerd wordt [volgens de wet van Malus], wordt het filter <i>in dit </i>geval wel of niet gepasseerd), of wordt deze <i>niet in aanmerking genomen?</i>
Ten tweede wat zegt dit over de [u]verstrengeling[/u] (de correlatie) tussen twee fotonen A en B? Immers: een foton A kan met een kans [tex]\frac{1}{2}[/tex] filter X passeren (dit is zo), en een foton B met een kans [tex]\frac{1}{2}[/tex] filter Y, maar wat zegt de stelling van Bell over het al dan niet aanwezig zijn van de correlatie tussen de twee zoals optreedt bij [u]verstrengeling[/u]?
Wat ik bedoel, is dat 1) wat zegt de EPR paradox (en de [url=https://nl.wikipedia.org/wiki/Stelling_van_Bell]stelling van Bell[/url]) over het optreden van 'kans' bij de filters (omdat de verborgen variabelen al met zekerheid zeggen of het filter wel of niet gepasseerd gaat worden), en 2) wat heeft het te maken met verstrengeling (non-lokaliteit). Misschien leg ik het wat ingewikkeld uit, maar wat begrijp ik verkeerd aan de EPR-paradox en de stelling van Bell?